ECLI:NL:GHAMS:2025:2006

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
200.270.554/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de proceskostenveroordeling in faillissement van Lioncross Limited

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de proceskostenveroordeling in het faillissement van Lioncross Limited. De Official Receiver, in haar hoedanigheid als curator, heeft hoger beroep ingesteld tegen de eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam. Het hof heeft in eerdere tussenarresten geoordeeld dat Lioncross niet bevoegd was vertegenwoordigd in de procedure, wat heeft geleid tot de conclusie dat er geen hoger beroep aanhangig was gemaakt door een procespartij. Het hof heeft de betrokken partijen, waaronder de advocaten van de geïntimeerden, in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar voren te brengen over de proceskostenveroordeling. De Official Receiver heeft betoogd dat zij Lioncross bevoegd heeft vertegenwoordigd, maar het hof heeft geoordeeld dat dit niet is komen vast te staan. Het hof heeft de proceskosten aan de zijde van de geïntimeerden vastgesteld op een totaalbedrag van € 79.986, inclusief griffierecht en salaris advocaat. Het hof heeft de Official Receiver veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep, en verklaarde de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een correcte vertegenwoordiging in faillissementsprocedures en de gevolgen van onduidelijkheden in de procesvoering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.270.554/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/592910/HA ZA 15-789
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 juli 2025
inzake
[naam 1]in haar hoedanigheid van
Official Receiver(curator) in het faillissement van de vennootschap naar buitenlands recht
LIONCROSS LIMITED,
gevestigd te Qormi, Malta,
appellante,
advocaat: mr. K. Boukema te Amsterdam,
tegen

1.NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

2.
GOLDMAN SACHS ASSET MANAGEMENT B.V.,(rechtsopvolgster van NN Investment Partners B.V.),
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerden,
advocaat: S.R.F. Aarts te Amsterdam.
Appellante wordt hierna de
Official Receivergenoemd. De failliet wordt hierna als Lioncross aangeduid en geïntimeerden gezamenlijk als NN.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Voor het procesverloop tot 20 augustus 2024 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum (tussenarrest III) en de daarin onder 1 opgesomde processtukken. Aan die opsomming wordt toegevoegd de Akte houdende verhinderdata tevens verzoek om eindarrest en proceskostenveroordeling advocaten van NN van 13 december 2022.
1.2.
In het tussenarrest van 15 november 2022 (tussenarrest I) heeft het hof geconcludeerd dat vooralsnog onvoldoende is komen vast te staan dat Lioncross in deze procedure op de relevante momenten bevoegd is vertegenwoordigd en is aan Lioncross in dat verband een bewijsopdracht verstrekt. Na tussenarrest I is gebleken dat Lioncross in Malta failliet is verklaard, met benoeming van de
Official Receiver. In tussenarrest III heeft het hof geoordeeld dat de
Official Receiverniet is geslaagd in het aan Lioncross opgedragen bewijs. Dit betekent dat het handelen van [naam 3] dat tot het optreden van de achtereenvolgende advocaten namens Lioncross in deze procedure heeft geleid, niet aan Lioncross kan worden toegerekend. Lioncross is in dit hoger beroep, dat eerst bij het hof is aangebracht nadat [naam 2] al was afgetreden als bestuurder van Lioncross, niet bevoegdelijk vertegenwoordigd en dus geen procespartij geworden. Er is dus geen hoger beroep tegen de vonnissen in eerste aanleg in deze zaak aanhangig gemaakt door een van de procespartijen in de eerste aanleg (of hun rechtsopvolgers), zodat die vonnissen onherroepelijk zijn geworden.
1.3.
In tussenarrest III heeft het hof overwogen voornemens te zijn om [naam 3] als opdrachtgever van de advocaten in de kosten van NN te veroordelen. Het hof heeft [naam 3] in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten in de zin van artikel 245 lid 2 Rv.
1.4.
Na tussenarrest III heeft [naam 3] een “Akte houdende verzoek tot terugkomen op tussenbeslissing proceskosten [naam 3] ” met producties (hierna: de zienswijze) aan de griffie van het gerechtshof Amsterdam doen toekomen.
1.5.
Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling

2.1.
[naam 3] heeft het hof verzocht de zienswijze te aanvaarden en daarop acht te slaan bij de beoordeling, ondanks het feit dat hij niet erin is geslaagd een advocaat te vinden om de stukken namens hem in te dienen. Artikel 245 lid 2 Rv. bepaalt dat wanneer de rechter voornemens is degene die (onbevoegd) tot het voeren van het geding opdracht heeft gegeven in de proceskosten te veroordelen, hij diegene eerst in de gelegenheid stelt zijn standpunt naar voren te brengen en toe te lichten. Dat kan mondeling of schriftelijk en is niet gebonden aan formele vereisten. [naam 3] kan zijn standpunt dus zonder tussenkomst van een advocaat kenbaar maken. Hij heeft dit gedaan in de door hem aan het hof gestuurde zienswijze, die het hof bij zijn beoordeling zal betrekken.
2.2.
In de zienswijze heeft [naam 3] betoogd dat er geen grond bestaat hem in de proceskosten van NN te veroordelen omdat hij Lioncross, anders dan het hof in Tussenarrest III heeft geoordeeld, bevoegd heeft vertegenwoordigd. [naam 3] heeft vooral herhaald wat op instructie van [naam 3] ook al door mr. Boukema was aangevoerd in de Akte houdende verzoek tot terugkomen op tussenbeslissing, uitlaten getuigenverklaring en overlegging producties van 23 april 2024 (hierna: de Akte na enquête). [naam 3] heeft gesteld dat de door hem te goeder trouw gebruikte volmacht rechtsgeldig en authentiek is en dat dit blijkt uit de getuigenverklaring van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en uit het rapport van Konika Minolta Aurelium van 15 april 2024 (hierna: het Aurelium rapport) en de bijlagen daarbij.
2.3.
Het hof heeft in Tussenarrest III geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [naam 3] bevoegd was namens Lioncross de advocaten te instrueren in deze procedure namens Lioncross op te treden. Anders dan [naam 3] in zijn zienswijze lijkt te betogen is het hof tot zijn oordeel gekomen op basis van een combinatie van factoren, waaronder het gegeven dat de originele documenten niet zijn overgelegd, dat onregelmatigheden in de stukken onverklaard zijn gebleven en dat bewijsmateriaal ontbreekt dat redelijkerwijs mocht worden verwacht. Het hof heeft daarbij acht geslagen op die delen van het Aurelium rapport waarop de
Official Receiverzich heeft beroepen en op de daarbij als bijlagen 832 en 834 – 839 overgelegde e-mailberichten. Het hof is ingegaan op de bewijswaarde van dat rapport en op de getuigenverklaring van [naam 2] . Het hof heeft ook de technische beperkingen van scannen expliciet onderkend. Hetgeen [naam 3] in de zienswijze naar voren heeft gebracht, geeft het hof geen aanleiding zijn oordeel te herzien. Dat [naam 3] niet strafrechtelijk is vervolgd voor het falsificeren van de in dit geding van belang zijnde documenten en of het Aurelium rapport in een Belgische procedure al dan niet als een onafhankelijk rapport is aanvaard, maakt dat oordeel niet anders.
2.4.
Integendeel, opvallend is dat ook de zienswijze weer een nieuwe verklaring voor een van de geconstateerde ongerijmdheden bevat. Waar in de Akte na enquête, door mr. Boukema op instructie van [naam 3] opgesteld, over het bestuursbesluit en de consultancy agreement is toegelicht dat [naam 2] deze mogelijk geantedateerd heeft op verzoek van de toenmalige advocaat mr. Van der Korst met als doel een datum te hanteren die voor de inleidende dagvaarding lag om discussies over bekrachtiging te vermijden, stelt [naam 3] in de zienswijze dat de heer Steltenpool het adres in de documenten na de verhuizing van Lioncross heeft aangepast maar per abuis heeft nagelaten de datum te actualiseren. [naam 3] stelt in dit verband dat over de documenten overeenstemming bestond, ook als de daarop gestelde datum onjuist was, maar daarin gaat het hof niet mee: de onverklaard gebleven gang van zaken rondom de datering is een van de factoren die heeft bijgedragen aan de twijfels rondom de authenticiteit van de documenten. Deze twijfel wordt door de nieuwe verklaring in de zienswijze versterkt.
2.5.
Of [naam 3] te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de volmacht, is voor de vraag of hij wordt veroordeeld in de proceskosten van NN op grond van 245 Rv. niet van belang. Een kostenveroordeling laat onverlet dat [naam 3] de kosten kan trachten te verhalen op Lioncross. Anders dan [naam 3] stelt, biedt artikel 3:70 BW hem geen bescherming in de verhouding met NN.
2.6.
Het hof zal dus, zoals aangekondigd, op grond van artikel 245 Rv. [naam 3] in de proceskosten veroordelen als degene die tot het voeren van het geding opdracht heeft gegeven. Voor zover NN heeft gevorderd dat [naam 3] in de werkelijke proceskosten wordt veroordeeld, wijst het hof die vordering af. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten is vereist dat NN voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat [naam 3] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door deze procedure in hoger beroep te (doen) voeren. Dat Lioncross niet is geslaagd in het bewijs dat [naam 3] bevoegd was de opdrachten te verstrekken op grond waarvan de advocaten in deze procedure namens Lioncross zijn opgetreden, brengt nog niet mee dat [naam 3] jegens NN onrechtmatig heeft gehandeld door die opdrachten te verstrekken. NN heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die – indien bewezen – de conclusie kunnen dragen dat [naam 3] wel onrechtmatig jegens NN heeft gehandeld door die opdrachten te verstrekken. Gelet op de hoogte van de vordering van Lioncross ziet het hof aanleiding om het toepasselijke liquidatietarief te verdubbelen. Het hof stelt de proceskosten aan de zijde van NN als volgt vast:
- griffierecht € 5.382
- salaris advocaat € 74.604 (tarief VIII, verdubbeld, 6 punten)
totaal € 79.986

3.Beslissing

Het hof:
verklaart de
Official Receiverniet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [naam 3] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NN begroot op € 5.382 aan verschotten en € 74.604 voor salaris en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Wessels, R.M. de Winter en A. van Hees en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.