Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2039

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
23-002591-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Wetboek van StrafvorderingArt. 27 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep strafzaak invoer cocaïne met aangepaste gevangenisstraf

In deze strafzaak is de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van 3.025,3 gram cocaïne, een substantieel schadelijke harddrug bestemd voor handel en verspreiding. De rechtbank Noord-Holland had de verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan aftrek van voorarrest.

De verdachte voerde hoger beroep aan en stelde dat zij geen zeggenschap had over de hoeveelheid drugs en slechts een beperkte rol als koerier had. Ook werden haar persoonlijke omstandigheden, waaronder het zijn van een alleenstaande moeder met twee kinderen, aangevoerd als verzachtende factoren.

Het hof bevestigde het bewezenverklaarde, maar vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging. Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne en de maatschappelijke impact van drugshandel, achtte het hof een gevangenisstraf passend. Echter, vanwege de bijzondere persoonlijke omstandigheden en het feit dat de verdachte oorspronkelijk slechts 1.000 gram wilde invoeren, werd de straf verlaagd naar 24 maanden.

De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf. Het vonnis is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 juni 2025.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor invoer van 3.025,3 gram cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002591-24
datum uitspraak: 19 juni 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-230368-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en met dien verstande dat de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 oktober 2024 wordt vervangen door de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2025.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen zeggenschap had over de hoeveelheid drugs die zij bij zich droeg en meende dat het om slechts een kilogram ging. Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft zij aangevoerd dat de verdachte first offender is, een beperkte rol heeft gespeeld als koerier en zich in een kwetsbare positie bevond. Zij is een alleenstaande moeder van twee kinderen die onder de situatie lijden nu hun moeder in Nederland vastzit.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 3.025,3 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van mensen zeer schadelijke stof. Tegen de invoer ervan wordt dan ook streng opgetreden. De door de verdachte ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Hiermee heeft de verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Deze handel in verdovende middelen gaat de laatste jaren steeds vaker gepaard met ernstige geweldsdelicten, wat een ontwrichtende invloed heeft op de samenleving. De verspreiding van en handel in harddrugs worden daarom krachtig bestreden.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het invoeren van een hoeveelheid van tussen de 3.000 en 4.000 gram cocaïne, wordt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 tot 36 maanden genoemd.
Het hof acht in beginsel dan ook de straf zoals door de rechtbank opgelegd dan ook passend en geboden.
Het hof ziet echter in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door de raadsvrouw en de verdachte ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, aanleiding om een lagere straf op te leggen. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de intentie van de verdachte was om 1.000 gram cocaïne in te voeren en dat zij is overrompeld door de organisatie toen het uiteindelijk 3.000 gram bleek te zijn. Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding een iets lagere gevangenisstraf op te leggen. Het hof zal aansluiten bij het oriëntatiepunt voor een hoeveelheid tussen de 2.000 en 3.000 gram cocaïne, waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van tussen de 24 en 30 maanden wordt genoemd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. N. van der Wijngaart en mr. A.H. Tiemens, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2025.
Mr. N. van der Wijngaart is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.