De zaak betreft het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter Amsterdam die de goederen van de rechthebbende onder bewind stelde wegens zijn lichamelijke en geestelijke toestand. De rechthebbende, gediagnosticeerd met schizofrenie en een licht verstandelijke beperking, betwistte de noodzaak van het bewind en verzocht om opheffing.
Tijdens de procedure heeft het hof de standpunten van de betrokken partijen, waaronder GGZ InGeest, de bewindvoerder en de kinderen van de rechthebbende, gehoord. De kantonrechter had het bewind ingesteld vanwege de mentale achteruitgang van de rechthebbende en schuldenproblematiek, en om toegang tot een geschikte woonvoorziening te faciliteren.
Het hof oordeelde dat de onderbewindstelling destijds terecht was, maar dat de noodzaak inmiddels is komen te vervallen. De bewindvoerder en het hof constateerden dat de financiële situatie van de rechthebbende stabiel is, hij inzicht toont in zijn financiën en betalingsregelingen worden getroffen voor nieuwe schulden. Tevens is het niet langer vereist voor het behoud van zijn woning.
Daarom vernietigt het hof het bewind vanaf 1 september 2025 en beveelt het een eindrekening door de bewindvoerder. De rest van de beschikking wordt bekrachtigd en het hoger beroep wordt verder afgewezen.