De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de beschikking van de kantonrechter Amsterdam van 11 december 2024, waarin haar verzoek tot opheffing van het bewind over haar goederen werd afgewezen. Het bewind was in 2019 ingesteld vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. De rechthebbende betwist dat het bewind nog noodzakelijk is en stelt dat zij geen schulden heeft en voldoende zelfredzaam is.
Tijdens de zitting heeft de bewindvoerder toegelicht dat de rechthebbende in 2021 een zelfredzaamheidstraject niet succesvol heeft afgerond en dat zij beperkte digitale vaardigheden heeft. Er zijn zorgen over mogelijke overbesteding en het ontbreken van een financiële buffer. De bewindvoerder benadrukt dat het beheer van de financiën bij de rechthebbende gepaard gaat met spanning en stress en dat het onzeker is of zij in de toekomst zelfstandig haar financiële zaken kan beheren.
Het hof oordeelt dat het eerdere oordeel van de kantonrechter dat de rechthebbende niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, rechtskracht heeft. Het verzoek tot opheffing van het bewind is onvoldoende onderbouwd. De rechthebbende heeft het zelfredzaamheidstraject niet doorlopen en mist het overzicht over haar financiën. De hulp van haar sociale netwerk is niet voldoende om het bewind te vervangen. Daarom is het bewind nog steeds noodzakelijk en zinvol, en wordt het verzoek afgewezen.