Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2180

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 augustus 2025
Publicatiedatum
19 augustus 2025
Zaaknummer
200.351.137/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitbreiding zorgregeling kinderen met ingang van schooljaar 2025

De zaak betreft een verzoek van de moeder tot uitbreiding van de zorgregeling voor vijf minderjarige kinderen, die gezamenlijk gezag hebben met de vader. De rechtbank had het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling afgewezen, waarna de moeder in hoger beroep ging. De moeder stelde dat zij overbelast is geraakt en dat uitbreiding van de zorgregeling in het belang van de kinderen is.

De vader betoogde dat co-ouderschap niet haalbaar is vanwege zijn werk en medische klachten en dat de huidige regeling passend is. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde dat co-ouderschap op dit moment niet in het belang van de kinderen is, maar dat het goed is als de kinderen meer tijd met de vader doorbrengen en dat de moeder niet overbelast raakt.

Het hof oordeelde dat uitbreiding van de zorgregeling gerechtvaardigd is om de moeder te ontlasten en het belang van de kinderen te dienen. Daarom wordt bepaald dat de kinderen vanaf het schooljaar 2025 in de even weken van vrijdag 18:00 tot zondag 18:00 bij de vader verblijven, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader brengt. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en deze nieuwe regeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De zorgregeling wordt uitgebreid zodat de kinderen vanaf schooljaar 2025 in de even weken van vrijdag 18:00 tot zondag 18:00 bij de vader verblijven, met vervoer door de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.351.137/01
zaaknummer rechtbank: C/13/750489/FA RK 24-3056 (COH/LS)
beschikking van de meervoudige kamer van 19 augustus 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente ] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. G. Öntas te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ,
- de minderjarige [minderjarige 4] , hierna: [minderjarige 4] , en
- de minderjarige [minderjarige 5] , hierna: [minderjarige 5] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling voor de veertienjarige [minderjarige 1] , de elfjarige [minderjarige 2] , de tienjarige [minderjarige 3] , de achtjarige [minderjarige 4] en de zevenjarige [minderjarige 5] (hierna: de kinderen).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van
13 november 2024 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling afgewezen.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de huidige zorgregeling tussen de kinderen en de vader wordt uitgebreid.
De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 12 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 31 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 27 juni 2025 met bijlage.
2.4
Het hof heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 9 juli 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door V. Bolt, tolk in de Engelse taal,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2010, te [gemeente ] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2014, te [gemeente ] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2015, te [gemeente ] ;
- [minderjarige 4] , geboren [in] 2016, te [gemeente ] ;
- [minderjarige 5] , geboren [in] 2018, te [gemeente ] .
De moeder heeft uit een eerdere relatie een zoon, [zoon] , geboren [in]
[in] 2006 te [plaats A] , die bij haar woont.
De vader heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk, te weten:
[minderjarige 6] , geboren [in] 2011 te [gemeente ] en [minderjarige 7] , geboren [in] 2013 te [gemeente ] , met welke kinderen hij een zorgregeling heeft.
Tezamen met zijn huidige echtgenote heeft de vader drie kinderen:
- [minderjarige 8] , geboren [in] 2020, te [gemeente ] ;
- [minderjarige 9] , geboren [in] 2021, te [gemeente ] ;
- [minderjarige 10] , geboren [in] 2024, te [gemeente ] .
De huidige echtgenote van de vader heeft een kind uit een eerdere relatie, dat samen met de drie kinderen uit hun huwelijk deel uitmaakt van het gezin van de vader en de huidige echtgenote.
3.2
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun vijf kinderen.
3.3
Bij beschikking van 10 augustus 2021 heeft dit hof een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen de eerste drie van de vier weekenden van de maand, dan wel de eerste vier van de vijf weekenden van de maand bij de vader verblijven van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de zorgregeling afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair toewijzing van haar aanvankelijke verzoek tot wijziging van de huidige zorgregeling naar een co-ouderschapsregeling in die zin dat wordt bepaald dat de kinderen bij de vader verblijven:
- om de week van vrijdag na school of als er geen school is om 17.00 uur tot de volgende vrijdag na school of 17.00 uur als er geen school is;
- de helft van de zomervakantie en andere vakanties van een week of minder;
- bij andere vakanties loopt de zorgregeling door.
Subsidiair verzoekt de moeder te bepalen dat de huidige zorgregeling wordt gewijzigd, in die zin dat de kinderen:
- de eerste drie van de vier weekenden van de maand, dan wel de eerste vier van de vijf weekenden van de maand bij de vader verblijven van vrijdag na school tot zondag 19:00 uur, dan wel van zaterdag 10:00 uur tot maandag naar school, waarbij de vader de kinderen ophaalt en weer terugbrengt van/naar de moeder/school;
- de helft van alle schoolvakanties en feestdagen.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel haar verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.2
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een co-ouderschapsregeling niet toewijsbaar is en dat uitbreiding van de omgang niet mogelijk en niet in het belang van de kinderen is. Daartoe stelt de moeder – kort gezegd – dat zij in de afgelopen jaren overbelast is geraakt, waardoor het voor haar niet meer mogelijk is om de kinderen volgens de huidige zorgregeling te verzorgen en dat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat zij meer tijd doorbrengen met de vader.
5.3
De vader voert aan – kort gezegd – dat co-ouderschap mentaal en praktisch voor hem niet haalbaar is. Verder stelt de vader dat de door de moeder gewenste wijziging van de huidige zorgregeling niet zal betekenen dat de kinderen extra tijd met de vader zullen hebben, omdat hij ook moet werken en de kinderen allemaal (naschoolse) activiteiten hebben. Er is geen ruimte of rek bij de vader om de huidige regeling te wijzigen en ook hij heeft te kampen met medische klachten.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij niet kan inzien hoe
co-ouderschap op dit moment in het belang van de kinderen is met het oog op de schoolgang, continuïteit van de zorgregeling en omgang met hun vriendjes en vriendinnetjes. Anderzijds heeft de raad benoemd dat het vanuit de kinderen bezien goed is als zij meer tijd met de vader doorbrengen en dat het belangrijk is dat de zorgende ouder niet zodanig overbelast raakt dat de zorg aan de kinderen in het gedrang komt.
Het oordeel van het hof
5.5
Het hof is van oordeel dat de huidige zorgregeling met ingang van het nieuwe schooljaar in 2025 moet worden uitgebreid in die zin dat de moeder de kinderen in de even weken op vrijdag vóór het eten om 18:00 uur naar de vader brengt. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
5.6
Uit de stukken en uit wat ter zitting in hoger beroep is besproken, blijkt dat de moeder met de huidige zorgregeling het grootste gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich neemt en dat zij overbelast dreigt te raken. De moeder heeft onweersproken naar voren gebracht dat zij eerder door een burn-out de kinderen bij de vader heeft moeten achterlaten en dat die situatie zich dreigt te herhalen. Evenals de raad is het hof van oordeel dat het belangrijk is voor alle betrokken partijen dat de moeder niet dermate overbelast raakt dat zij de zorg aan de kinderen niet meer zou kunnen bieden. Co-ouderschap acht het hof met de raad op dit moment voor de vader niet haalbaar en voorts niet in het belang van de kinderen, maar het hof ziet wel mogelijkheden voor uitbreiding van de zorgregeling met de vader in de even weekenden, wanneer de oudste zonen van de vader (die in de oneven weekenden bij hem verblijven en door hem op de vrijdag in [plaats D] worden opgehaald) niet in het gezin van de vader zijn. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 juli 2025 is met de ouders gesproken over uitbreiding van de zorgregeling op de vrijdag, waarbij de moeder heeft aangegeven bereid te zijn om de kinderen naar de vader te brengen. De uitbreiding van de zorgregeling met een extra overnachting in de even weekenden zal van de vader inspanning vragen, maar dit mag van hem gevergd worden omdat de moeder enigszins moet worden ontlast. Bovendien is het in het belang van de kinderen dat zij meer tijd met hun vader doorbrengen, zodat het in de rede ligt dat zij de vrijdagen in de even weekenden vóór de avondmaaltijd door de moeder naar de vader worden gebracht. De uitbreiding van de regeling gaat in na de zomervakantie 2025. De kinderen gaan vanaf 25 augustus 2025 weer naar school, zodat de uitbreiding van de regeling start op vrijdag 5 september 2025 (week 36) in het eerste weekend van de maand.
5.7
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank van 13 november 2024 en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de kinderen – in aanvulling op de huidige zorgregeling – met ingang van het nieuwe schooljaar in 2025 (en dus vanaf 5 september 2025):
- in de even weken bij de vader verblijven van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader brengt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. P.F.E. Geerlings en
mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif als griffier en is op
19 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.