Het gerechtshof Amsterdam heeft op 29 januari 2025 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter van 8 maart 2024. Het hof bevestigt het vonnis in alle onderdelen behalve de beslissingen over de vorderingen tot tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd bij vonnissen van 28 november 2022.
De officier van justitie had de tenuitvoerlegging gevorderd van twee voorwaardelijke gevangenisstraffen met proeftijd, maar het hof stelde vast dat niet kon worden aangetoond dat de verdachte op de hoogte was van de zittingen. In één zaak was sprake van verstek, in de andere verscheen een gemachtigd raadsman, maar de verdachte zelf was kennelijk niet aanwezig. Documenten over betekening van dagvaardingen of mededelingen aan de verdachte ontbraken in het dossier.
Op grond van de artikelen 366 en 366a van het Wetboek van Strafvordering moet de verdachte persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van het vonnis om tenuitvoerlegging mogelijk te maken. Omdat dit niet kon worden vastgesteld, wees het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging af. Voor de overige onderdelen van het vonnis bevestigde het hof het vonnis van de politierechter.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 29 januari 2025.