De zaak betreft een geschil over kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen, waarbij de rechtbank de vader heeft verplicht €313 per kind per maand te betalen. De vader is in hoger beroep gekomen en verzocht om een lagere alimentatie, terwijl de moeder instemde met de rechtbanksbeslissing.
Het hof oordeelde dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een nieuwe beoordeling rechtvaardigen, maar bevestigde de ingangsdatum van de alimentatiebetaling zoals vastgesteld door de rechtbank. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €1.184 per maand gezamenlijk.
De vader betwistte de draagkracht van de moeder en stelde dat haar ziekte niet voldoende onderbouwd was, en dat zij meer zou kunnen werken. Het hof vond echter de medische verklaring en het betoog van de moeder overtuigend en hield haar draagkracht op €25 per kind per maand.
Verder stelde de vader dat zijn maandelijkse schuldenlast van €350 in verband met een lening bij zijn moeder in mindering moest worden gebracht op zijn draagkracht. Het hof oordeelde dat deze lening was aangegaan om de moeder uit te kopen en dat het onredelijk zou zijn de onderhoudsverplichting hierdoor te verminderen. De vader had onvoldoende bewijs geleverd van regelmatige aflossingen.
Omdat de vader niet tegen het inkomen had gegriefd en zijn grieven over draagkracht en schulden faalden, bevestigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het verdere beroep af. Het incidenteel hoger beroep van de moeder werd niet-ontvankelijk verklaard.