ECLI:NL:GHAMS:2025:2347

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 augustus 2025
Publicatiedatum
9 september 2025
Zaaknummer
200.358.318/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515, vierde lid, SvArt. 17 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing derde wrakingsverzoek in strafzaak wegens gebrek aan partijdigheid en oplegging wrakingsverbod

In hoger beroep tegen een veroordeling voor belaging, mishandeling en vernieling heeft verzoeker voor de derde maal wraking gevraagd van de raadsheren Ludwig en Van Eijk. De wrakingskamer beoordeelde dat de aangevoerde gronden niet zien op daadwerkelijke of schijnbare partijdigheid, maar op procedurele kwesties waar de raadsheren geen invloed op hadden.

Verzoeker stelde onder meer dat de strafrechter onbevoegd zou zijn vanwege een civielrechtelijke kwestie en dat het ne bis in idem-beginsel zou zijn geschonden. Deze bezwaren kunnen volgens de wrakingskamer als verweer in de hoofdzaak worden behandeld. Ook de klacht over ontbrekende stukken werd niet als grond voor wraking geaccepteerd.

Omdat het verzoek in essentie overeenkomt met eerdere afgewezen wrakingsverzoeken en direct na aanvang van de zitting werd ingediend, oordeelt de wrakingskamer dat sprake is van lichtvaardig gebruik van het wrakingsinstrument. Daarom wordt een wrakingsverbod opgelegd, zodat toekomstige verzoeken in deze zaak niet in behandeling worden genomen.

De beslissing werd op 21 augustus 2025 door de wrakingskamer in het openbaar uitgesproken en de griffier kon de beslissing niet medeondertekenen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en een wrakingsverbod opgelegd voor toekomstige verzoeken in deze zaak.

Uitspraak

GeRechtshof Amsterdam

zaaknummer : 200.358.318/01
zaaknummer hoofdzaak : 23-000734-22
Beslissing van de wrakingskamer van 21 augustus 2025
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2022, waarbij verzoeker is veroordeeld voor belaging en mishandeling van twee van zijn buren en het beschadigen van meerdere toegangsdeuren en een lift.
1.2.
Op 11 november 2022 heeft in de hoofdzaak een regiezitting plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.3.
Verzoeker heeft bij op 20 januari 2025 ingekomen schriftelijk stuk de wraking
verzocht van de raadsheren mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk (hierna: het eerste wrakingsverzoek). Verzoeker is door de wrakingskamer op 27 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
1.4.
Verzoeker heeft bij een op 1 mei 2025 ingekomen schriftelijk stuk de wraking
verzocht van de raadsheren mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk (hierna: het tweede wrakingsverzoek). Dit verzoek is door de wrakingskamer op 3 juni 2025 afgewezen.
1.5.
De hoofdzaak stond gepland voor inhoudelijke behandeling op 21 augustus 2025 om 14:00 uur. Direct na aanvang van de zitting heeft verzoeker mondeling de wraking
verzocht van de raadsheren mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk (hierna: de raadsheren).
1.6.
De mondelinge behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek heeft ook plaatsgevonden op 21 augustus 2025. Verzoeker is verschenen. De raadsheren zijn eveneens verschenen. Namens het Openbaar Ministerie is verschenen mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.
1.7.
Verzoeker heeft het wrakingsverzoek toegelicht aan de hand van zijn pleitnotitie. Namens de gewraakte raadsheren heeft mr. Ludwig het woord gevoerd. De raadsheren hebben
niet berust in het wrakingsverzoek. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

2.Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

2.1.
De grond van het wrakingsverzoek blijkt uit de schriftelijke stukken. In het proces-verbaal van de zitting zijn de wrakingsgronden als volgt weergegeven:
“Ik wraak u, voorzitter, en mr. Van Eijk. U vraagt mij naar de wrakingsgronden. Er is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel. Ik beroep mij op artikel 17 van Pro het EVRM. U bent onbevoegd. Het betreft hier VvE-recht. U heeft de stukken van het arrest “dader rechtspersoon [VvE] ( [persoon] )” niet toegevoegd. Dat betekent misleiding van mijn strafrechtadvocaat mr. Qane.”
2.2.
Mrs. Ludwig en Van Eijk hebben meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten en zij hebben inhoudelijk gereageerd op het wrakingsverzoek en te kennen gegeven dat zij niet zijn betrokken bij de door de verzoeker genoemde zaken en/of personen. Tevens hebben zij gevraagd een wrakingsverbod op te leggen wegens de herhaalde ongefundeerde verzoeken, die in de weg staan aan het inhoudelijk behandelen van de zaak.
2.3.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en heeft eveneens gevraagd een wrakingsverbod op te leggen.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1.
Artikel 512 Wetboek Pro van Strafvordering houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
3.2.
Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Beoordeling in deze zaak
3.4.
Uit de toelichting van verzoeker begrijpt de wrakingskamer dat de door hem aangevoerde gronden als volgt kunnen worden samengevat:
  • het betreft een civielrechtelijke aangelegenheid en om die reden is de strafrechter niet bevoegd;
  • bovendien is de kwestie al door middel van een beschikking afgewikkeld en dat maakt dat het voeren van een strafprocedure in strijd is met het beginsel van ne bis in idem;
  • voor verzoeker is van belang dat bepaalde stukken aan het dossier worden toegevoegd, en de raadsheren hebben die stukken ten onrechte niet toegevoegd.
Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat die samenvatting juist is.
3.5.
De wrakingskamer overweegt dat de door verzoeker aangevoerde gronden geen betrekking hebben op (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid van de raadsheren, maar zien op procedurele aangelegenheden, waarop de raadsheren geen invloed hebben gehad. Zoals de raadsheren hebben aangevoerd, bepaalt het Openbaar Ministerie of een zaak bij de strafrechter wordt aangebracht. Zodra het Openbaar Ministerie een strafzaak heeft aangebracht, is de strafrechter bevoegd van de zaak kennis te nemen. Uit het feit dat de raadsheren de zaak in behandeling hebben genomen kan dan ook geen vooringenomenheid jegens verzoeker worden afgeleid. Indien verzoeker van oordeel is dat sprake is van schending van het beginsel ne bis in idem, kan dit als verweer worden gevoerd in de hoofdzaak zodat de raadsheren daarover kunnen beslissen.
3.6.
Ten aanzien van de klacht over het toevoegen van stukken hebben de raadsheren verklaard dat zij de betreffende stukken niet kennen en ter zitting met verzoeker in gesprek hadden willen gaan om te begrijpen waarop deze stukken zien en of die stukken aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden omdat direct na aanvang van de zitting werd gewraakt. Ook hieruit kan geen vooringenomenheid of de schijn daarvan worden afgeleid.
Wrakingsverbod
3.7.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker gedurende de behandeling van de hoofdzaak al tweemaal eerder een wrakingsverzoek heeft ingediend. De in dit wrakingsverzoek aangevoerde gronden komen in de kern overeen met die in de twee eerdere verzoeken, waarvan in beide gevallen is vastgesteld dat deze niet tot wraking kunnen leiden. Daar komt bij dat dit laatste verzoek is gedaan direct na aanvang van de zitting. Daarmee is sprake van een zodanig lichtvaardig gebruik van het wrakingsinstrument, dat dit moet worden aangemerkt als een situatie als bedoeld in artikel 515, vierde lid, Sv. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst af het verzoek tot wraking van mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak (23-000734-22) niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.M. de Stigter, J.F. Aalders en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2025.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.