In hoger beroep tegen een veroordeling voor belaging, mishandeling en vernieling heeft verzoeker voor de derde maal wraking gevraagd van de raadsheren Ludwig en Van Eijk. De wrakingskamer beoordeelde dat de aangevoerde gronden niet zien op daadwerkelijke of schijnbare partijdigheid, maar op procedurele kwesties waar de raadsheren geen invloed op hadden.
Verzoeker stelde onder meer dat de strafrechter onbevoegd zou zijn vanwege een civielrechtelijke kwestie en dat het ne bis in idem-beginsel zou zijn geschonden. Deze bezwaren kunnen volgens de wrakingskamer als verweer in de hoofdzaak worden behandeld. Ook de klacht over ontbrekende stukken werd niet als grond voor wraking geaccepteerd.
Omdat het verzoek in essentie overeenkomt met eerdere afgewezen wrakingsverzoeken en direct na aanvang van de zitting werd ingediend, oordeelt de wrakingskamer dat sprake is van lichtvaardig gebruik van het wrakingsinstrument. Daarom wordt een wrakingsverbod opgelegd, zodat toekomstige verzoeken in deze zaak niet in behandeling worden genomen.
De beslissing werd op 21 augustus 2025 door de wrakingskamer in het openbaar uitgesproken en de griffier kon de beslissing niet medeondertekenen.