ECLI:NL:GHAMS:2025:2351
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en vaststelling kinderalimentatie na verhuizing minderjarige naar Israël
De zaak betreft een geschil over de zorgregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige die met zijn moeder naar Israël is verhuisd. De rechtbank had eerder een kinderalimentatie van €745,- vastgesteld, maar liet aanvullende verzoeken, waaronder een zorgregeling, buiten beschouwing. Zowel vader als moeder zijn het niet eens met deze beschikking en gingen in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om over de zorgregeling te beslissen, omdat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Israël heeft en Israël geen partij is bij relevante Haagse verdragen. Voor de kinderalimentatie is de Nederlandse rechter wel bevoegd, aangezien partijen ten tijde van het verzoek in Nederland woonden.
De behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op €1.194,- per maand, inclusief bijzondere medische kosten. De kosten worden verdeeld over vader, moeder en stiefvader naar rato van hun draagkracht. De moeder krijgt een verdiencapaciteit toegekend vanaf maart 2026. De zorgkorting voor de vader wordt vastgesteld op 5% van de basisbehoefte. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt de kinderalimentatie vast op €920,- per maand tot 1 februari 2025, €932,- tot 1 maart 2026 en €887,- vanaf 1 januari 2026.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd voor de zorgregeling; de vader moet kinderalimentatie betalen van €920 tot €887 per maand afhankelijk van de periode.