ECLI:NL:GHAMS:2025:2371

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 september 2025
Publicatiedatum
10 september 2025
Zaaknummer
23-003118-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging diefstal in vereniging met braak met aangepaste strafoplegging

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd wat betreft de bewezenverklaring van diefstal in vereniging met braak, maar de opgelegde gevangenisstraf vernietigd en aangepast. De verdachte werd verdacht van het stelen van pallets met aanzienlijke waarde, waarbij het hof het feit als hinderlijk en schadelijk voor het getroffen bedrijf kwalificeerde.

De verdediging voerde aan dat de herkenningen van de verdachte op camerabeelden onvoldoende betrouwbaar waren vanwege de kwaliteit van de beelden. Het hof oordeelde echter dat de bewegende beelden voldoende kwaliteit hadden en dat de verbalisanten concrete en betrouwbare kenmerken hadden genoemd, mede vanwege hun eerdere bekendheid met de verdachte. Hierdoor werd het verweer verworpen.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en het feit dat er geen sprake was van recidive. Tevens werd de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep meegewogen, wat leidde tot strafvermindering. Uiteindelijk legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 60 uur op.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 10 september 2025.

Uitkomst: Voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 60 uur opgelegd voor diefstal in vereniging met braak.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003118-21
datum uitspraak: 10 september 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 november 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-226423-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de politierechter aanvult.

Aanvullende bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de herkenningen van de verbalisanten onvoldoende betrouwbaar zijn, omdat de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een herkenning van de verdachte op te kunnen baseren. De raadsman heeft het hof daarom verzocht na te gaan welke specifieke en onderscheidende kenmerken het hof kan waarnemen op de bewegende beelden.
Het hof verenigt zich met de bewijsoverweging van de politierechter en overweegt in aanvulling daarop het volgende.
De herkenning van een persoon is veelal een ‘holistisch’ proces, waarbij in de regel de zichtbare (gezichts)kenmerken zullen bijdragen aan de herkenning. Het hof heeft de bewegende beelden, die zich in het dossier bevinden, bekeken. Deze beelden geven geen aanleiding om de bevindingen van de verbalisanten, die de verdachte herkennen, in twijfel te trekken. De beelden zijn van voldoende kwaliteit om daarop een herkenning te baseren. De verbalisanten noemen voorts concrete kenmerken op basis waarvan zij de verdachte herkennen en zijn vanuit hun werk al eerder bekend met de verdachte. Het standpunt van de verdediging dat het hof elk van de genoemde kenmerken moet kunnen verifiëren aan de hand van de beelden en de herkenningen anders als onvoldoende betrouwbaar terzijde zou moeten schuiven, volgt het hof niet.
Het hof verwerpt dan ook het verweer en acht de herkenningen door de verbalisanten betrouwbaar.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring een taakstraf op te leggen en voor zover zich het taakstrafverbod voordoet een dag gevangenisstraf daarbij op te leggen. Het gaat om een oud feit. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep dient tot strafvermindering te leiden. Er is geen sprake van recidive en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van toepassing.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met braak van pallets met een aanzienlijke waarde. Dit is een hinderlijk feit, dat voor het getroffen bedrijf schade en overlast heeft opgeleverd. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2025 is hij niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is, omdat aan de verdachte na het onderhavige feit meerdere straffen zijn opgelegd. Het hof weegt dit mee in de op te leggen straf.
Het hof acht in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren passend.
Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte heeft immers op 23 november 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof thans arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 1 jaar en 10 maanden, hetgeen niet aan de verdachte is te wijten.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]