In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2024 vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte werd beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie die professioneel vuurwerk illegaal invoerde, opsloeg en doorverkocht aan particulieren.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte tussen 17 november 2016 en 2 november 2017 deel uitmaakte van deze organisatie, ondanks zijn ontkenningen. Bewijs bestond onder meer uit WhatsApp-berichten, bezoekersregistraties van een bunkercomplex in Duitsland en getuigenissen over zijn betrokkenheid bij het lossen en afleveren van vuurwerk.
De verdachte had een uitvoerende rol, met een relatief korte periode van deelname. Gelet op de ernst van het feit, de rol van de verdachte, en zijn eerdere strafblad, legde het hof een taakstraf van 200 uren op. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg werd deze straf met 40 uren verminderd tot 160 uren taakstraf, met een subsidiaire hechtenisstraf van 80 dagen.
Het hof nam mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid nam en bleef ontkennen ondanks het bewijs. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 september 2025.