Uitspraak
Onderzoek ter terechtzitting
Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep
BESLISSING
niet-ontvankelijkin het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 18 juni 2024. Het hoger beroep richtte zich op de bewezenverklaring en de opgelegde straf. Tijdens de terechtzitting op 16 januari 2025 stelde de advocaat-generaal dat het Openbaar Ministerie geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.
Het hof heeft na het horen van de verdediging geoordeeld dat er geen rechtens te beschermen belang bestaat dat de voortzetting van het hoger beroep rechtvaardigt. Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam, bestaande uit de rechters N. van der Wijngaart, D.A.C. Koster en V.J.M. Goldschmeding, en uitgesproken op 16 januari 2025. Dit betekent dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard en het vonnis van de politierechter in stand blijft.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.