In deze zaak vordert appellant schadevergoeding van ABN AMRO wegens vermeende zorgplichtschending en overkreditering bij het verstrekken van een hypothecaire lening in 2007. Nadat appellant zijn baan verloor in 2009, kon hij de hypotheeklasten niet meer voldoen en ontstond een restschuld die uiteindelijk in 2024 werd kwijtgescholden.
De rechtbank wees de vorderingen af wegens verjaring, aangezien appellant al in 2017 bekend was met de vermeende tekortkomingen van de bank. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de verjaringstermijn is aangevangen vóór 2017 en niet is gestuit. Daarnaast concludeert het hof dat ABN AMRO haar zorgplicht niet heeft geschonden, mede omdat appellant schriftelijk akkoord ging met de hogere lening en het verlies van zijn baan niet voorzienbaar was.
Verder wijst het hof de door appellant bij pleidooi ingebrachte nieuwe vorderingen af wegens strijd met de twee-conclusieregel. Ook de bezwaren tegen de procedure in eerste aanleg worden verworpen omdat in hoger beroep een volledige behandeling heeft plaatsgevonden.
Het hof bekrachtigt daarmee de vonnissen van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.