In deze zaak vordert appellant schadevergoeding van ABN AMRO wegens vermeende zorgplichtschending en overkreditering bij het verstrekken van een hypothecaire lening in 2007. Appellant kon vanaf 2009 zijn hypotheeklasten niet meer voldoen na baanverlies, waarna de woning in 2011 werd verkocht met een restschuld. Hij stelt dat ABN AMRO een hogere lening verstrekte dan verantwoord volgens de Gedragscode Hypothecaire Financieringen 2007 (GHF 2007).
De rechtbank wees de vorderingen af wegens verjaring, omdat appellant al in 2017 bekend was met de schade en de vermeende tekortkoming van de bank. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken zonder stuiting. Daarnaast overweegt het hof dat ABN AMRO geen zorgplicht heeft geschonden; de bank heeft de lening verantwoord verstrekt, met schriftelijke instemming van appellant over de overschrijding van de GHF-norm.
Appellant heeft zijn vorderingen in hoger beroep bij pleidooi uitgebreid, maar het hof wijst deze wijziging af wegens strijd met de twee-conclusieregel. Ook de procesgang in eerste aanleg, waaronder de mondelinge uitspraak, leidt niet tot vernietiging omdat in hoger beroep een volledige nieuwe behandeling heeft plaatsgevonden.
Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank, wijst de vorderingen af en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.