ECLI:NL:GHAMS:2025:2603
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis levering aandeel woning en afwijzing beroep op verjaring
Partijen zijn ex-echtgenoten die in 1977 zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en in 1995 een woning kochten. Na hun echtscheiding in 2001 spraken zij in een convenant af dat de woning aan [gedaagde] zou worden toegedeeld, onder de voorwaarde dat hij alle hypotheekverplichtingen zou overnemen en [eiser] zou worden ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid. De levering van de woning vond echter niet plaats vanwege financiële beperkingen van [gedaagde].
In het kort geding werd [eiser] veroordeeld tot medewerking aan de levering van haar aandeel in de woning aan [gedaagde], die dit nodig heeft om een lening af te sluiten voor noodzakelijk onderhoud aan de woning. [eiser] ging in hoger beroep met vier grieven, waaronder dat de zaak niet geschikt was voor kort geding, dat de woning als onderpand diende voor haar vorderingen op [gedaagde], dat zij opschorting mocht toepassen en dat de vordering van [gedaagde] was verjaard.
Het hof oordeelde dat de vordering van [gedaagde] een nakoming van een contractuele verbintenis betreft en dat het spoedeisend belang voldoende was aangetoond door het funderingsrapport. De woning kon niet langer als onderpand voor de vorderingen van [eiser] worden beschouwd omdat geen overeenkomst daartoe bestond. Opschorting van medewerking was disproportioneel en niet gerechtvaardigd. De leveringsverbintenis was stilzwijgend omgezet in een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, waardoor de verjaring pas recent was begonnen. Alle grieven van [eiser] faalden en het vonnis werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat [eiser] veroordeelt tot medewerking aan levering van haar aandeel in de woning aan [gedaagde] en wijst het beroep op verjaring af.