ECLI:NL:GHAMS:2025:2612
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing schadevergoeding na sepot strafzaak
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek tot schadevergoeding en vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak die is geëindigd in een sepot. De strafzaak betrof een verdenking waarbij appellant in verzekering is gesteld en een bekennende verklaring heeft afgelegd, maar uiteindelijk is de zaak voorwaardelijk geseponeerd zonder strafoplegging.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 534 Sv Pro vergoeding van schade bij sepot mogelijk is indien gronden van billijkheid aanwezig zijn, maar dat de onschuldpresumptie vereist dat de beoordeling niet mag impliceren dat appellant schuldig is. Het hof betrekt de belastende feiten, waaronder de bekennende verklaring, bij de beoordeling en concludeert dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van schadevergoeding.
Voor de vergoeding van kosten rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure geldt een billijkheidsoordeel. Het hof oordeelt dat het voor appellant niet volstrekt duidelijk was dat het verzoek zou worden afgewezen en kent daarom een vergoeding van in totaal €1.020 toe voor de kosten van rechtsbijstand.
Het hoger beroep wordt afgewezen voor de schadevergoeding maar toegewezen voor de vergoeding van kosten rechtsbijstand. De beschikking wordt onverwijld betekend en de betaling wordt gelast aan de stichting beheer derden gelden van het advocatenkantoor.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen voor schadevergoeding, toegewezen voor vergoeding kosten rechtsbijstand van €1.020.