In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen een raadsheer van het Gerechtshof Amsterdam, vanwege diens voormalig dienstverband als advocaat bij de gemeente die aandeelhouder is van ROM InWest B.V., de wederpartij in de hoofdzaak.
Verzoeker stelde dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat omdat de raadsheer mogelijk beïnvloed zou kunnen worden door haar voormalige werkgever. De raadsheer heeft echter verklaard dat zij sinds 2017 niet meer bij de gemeente werkzaam is en geen betrokkenheid heeft gehad bij ROM of de betrokken personen.
De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid vormen. De zorgen van verzoeker zijn gebaseerd op vermoedens en hypothetische situaties, wat niet volstaat voor wraking.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en blijft de raadsheer bevoegd om de hoofdzaak te behandelen.