In deze zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen een raadsheer van het Gerechtshof Amsterdam, vanwege zorgen over mogelijke partijdigheid. Verzoeker stelde dat de raadsheer mogelijk niet onpartijdig kon zijn omdat zij in het verleden als advocaat voor de gemeente had gewerkt, welke gemeente aandeelhouder is van ROM InWest B.V., de wederpartij in de hoofdzaak.
De raadsheer ontkende betrokkenheid bij het dossier en benadrukte dat zij al jaren voor haar benoeming niet meer werkzaam was bij de gemeente, en dat ROM pas later werd opgericht. Ook gaf zij aan geen persoonlijke of zakelijke banden te hebben met betrokkenen in het dossier.
De wrakingskamer oordeelde dat de vermoedens van verzoeker onvoldoende concreet waren en vooral gebaseerd op hypothetische situaties. Er waren geen zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid of de schijn daarvan. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen.
De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren van het hof, waarbij de griffier aanwezig was.