In deze zaak staat de nakoming van een duurovereenkomst tot levering van grondstoffen, met name paardenmest, centraal. [Appellant] en [geïntimeerde] zijn partijen bij een overeenkomst die loopt tot 2026 en waarin exclusieve leverings- en afnameverplichtingen zijn opgenomen. De rechtbank legde [appellant] een verbod op om paardenmest aan derden te leveren en een leveringsverplichting aan [geïntimeerde] op, beide onder dwangsom.
In hoger beroep klaagt [appellant] dat deze veroordelingen te ruim zijn geformuleerd omdat zij ook mest omvatten die niet van directe leveranciers afkomstig is. Het hof stelt vast dat partijen het eens zijn dat de exclusieve leveringsverplichting beperkt is tot geschikte paardenmest van directe leveranciers. De eerdere veroordelingen zijn daarom te ruim en worden vernietigd.
Het hof formuleert de veroordelingen opnieuw en beperkt het verbod en de leveringsverplichting tot geschikte paardenmest van directe leveranciers, met een dwangsom van maximaal € 200.000. De rest van het vonnis wordt bekrachtigd en [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.