ECLI:NL:GHAMS:2025:2813
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en aanpassing machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij vader
De zaak betreft de toetsing van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader, verleend door de kinderrechter voor de periode van 10 juli 2025 tot 10 januari 2026. De moeder betwist deze machtiging en verzoekt tot vernietiging en schorsing.
Het hof oordeelt dat de oorspronkelijke machtiging terecht was gegeven vanwege zorgen over de emotionele beschikbaarheid en stabiliteit van de moeder, mogelijk middelengebruik en veiligheid in de opvoedsituatie. De moeder had onvoldoende inzicht gegeven in haar behandeltraject, waardoor het zicht op haar situatie beperkt bleef.
Echter, na overlegging van nieuwe informatie over de moeder, waaronder een vragenlijst van haar GGZ-behandelaar, blijkt dat haar situatie is verbeterd en dat zij actief deelneemt aan behandeling en maatschappelijk werk. Dit vermindert de eerdere zorgen.
Gezien de belangen van de minderjarige en de wens van beide ouders om toe te werken naar een co-ouderschapsregeling, besluit het hof de machtiging gedeeltelijk te vernietigen en de uithuisplaatsing te verlengen tot 1 december 2025. De GI moet met ouders een plan opstellen voor een gelijkwaardige zorgverdeling. Het verzoek tot schorsing wordt afgewezen omdat het belang daarvan is komen te vervallen.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verkort tot 1 december 2025 en een plan voor gelijkwaardig ouderschap wordt onder regie van de GI opgesteld.