De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot vaststelling van een zorgregeling met zijn twee kinderen, [minderjarige 1] (10 jaar) en [minderjarige 2] (8 jaar). De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit, maar de kinderen wonen bij de moeder. De vader heeft de kinderen al twee jaar niet gezien en wenst contactherstel via een zorgregeling of, subsidiair, een ondertoezichtstelling.
De moeder voert aan dat er sprake is geweest van huiselijk geweld door de vader, wat ook de reden is dat zij en de kinderen op een geheime locatie verblijven. De kinderen kampen met traumaklachten en gedragsproblemen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen, omdat contactherstel op dit moment in strijd is met het belang van de kinderen.
Het hof oordeelt dat het vaststellen van een zorgregeling momenteel niet mogelijk is vanwege het ontbreken van draagvlak bij de moeder en de traumatische situatie van de kinderen. Het hof constateert dat er signalen van huiselijk geweld zijn en dat de vader onvoldoende inzicht heeft in de gevolgen van zijn handelen. Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat dit verzoek niet bij het hof kan worden ingediend.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het meer of anders verzochte af. De vader wordt aangespoord om hulpverlening te zoeken op het gebied van emotieregulatie en het leren omgaan met het gemis van contact met zijn kinderen.