In deze strafzaak is de verdachte in hoger beroep geconfronteerd met een tenlastelegging van smaad. Het hof heeft het preliminaire verweer van de verdachte verworpen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van een formele klacht. De aangifte van 9 november 2019 bevatte een schriftelijke klacht waarin de aangeefster nadrukkelijk vervolging wenste, inclusief de e-mail aan haar werkgever.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte met het verzenden van een e-mail naar meerdere algemene adressen van het bedrijf het kennelijke doel had om ruchtbaarheid te geven aan de belastende mededelingen, waardoor smaad bewezen is. De mededelingen waren zodanig dat verwacht mocht worden dat deze zouden worden doorverteld en een breder publiek zouden bereiken.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, die in eerste aanleg gedeeltelijk werd toegewezen. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis en wees de vordering af vanwege een civiele vaststellingsovereenkomst met finale kwijting die ook de schadevergoedingsvordering omvatte.
Het hof oordeelde verder dat de redelijke termijn niet was overschreden en bevestigde het vonnis voor het overige. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor het deel gericht tegen de vrijspraak in eerste aanleg.
De strafmotivering werd aangevuld, waarbij het hof het oordeel van de rechtbank bevestigde dat de verdachte schuldig is aan smaad zoals omschreven in de tenlastelegging.