Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld door het hof wegens lasterlijke uitlatingen over een persoon (betrokkene 1), waaronder beschuldigingen van bezit van kinderporno en seksueel misbruik van kinderen. Deze uitlatingen waren gedaan aan meerdere personen in Werkendam met het kennelijke doel om deze aantijgingen te verspreiden en onder een breder publiek bekend te maken.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven ontbrak omdat de uitlatingen slechts aan een beperkte kring personen waren gedaan en niet openbaar, bijvoorbeeld via internet. De Hoge Raad oordeelde dat ruchtbaarheid geven betekent het ter kennis brengen van het publiek, waarbij publiek een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden is. Dit kan ook gelden indien de uitlatingen aan één of enkele personen zijn gedaan, mits verwacht mag worden dat deze de mededeling verder verspreiden.
Het hof had gemotiveerd vastgesteld dat de verdachte de uitlatingen deed tegenover meerdere personen die niet direct betrokken waren bij de vermeende feiten, en dat uit vragen aan een getuige bleek dat de verdachte beoogde dat de aantijgingen verder zouden worden verspreid. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onjuist en verwierp het middel.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar dat dit geen gevolgen had voor het vonnis gezien de opgelegde straf. De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling wegens laster met kennelijk doel ruchtbaarheid geven blijft in stand.