ECLI:NL:GHAMS:2025:2998

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
200.358.569/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke zorgregeling na echtscheiding en verzoek tot verhuizing met minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 4 november 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep betreffende een tijdelijke zorgregeling voor een minderjarige na de echtscheiding van de ouders. De vader, appellant, heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, waarin de moeder, geïntimeerde, een verzoek had ingediend om met hun zoon te verhuizen naar een andere plaats. De vader vorderde onder andere nakoming van de oorspronkelijke zorgregeling en een verbod voor de moeder om voorbereidingen te treffen voor de verhuizing. De moeder betwistte het spoedeisend belang van de vader en voerde aan dat de huidige zorgregeling goed functioneerde. Het hof oordeelde dat er een spoedeisend belang was voor de vader, maar dat het niet in het belang van de minderjarige was om de zorgregeling op dat moment te wijzigen. Wel werd de zorgregeling in beperkte mate aangepast, zodat de vader de minderjarige op donderdagmiddag van school kan ophalen. Het hof heeft de vordering van de vader tot schorsing van het vonnis van de rechtbank afgewezen, omdat het hof met dit arrest een einduitspraak doet. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitspraak

arrest
_______________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.569/01 SKG
zaaknummer rechtbank: C/15/367082 / KG ZA 25-438
arrest van de meervoudige familiekamer van 4 november 2025 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
appellant,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. S.N. Ziekman-Meijerink te Utrecht,
tegen
[de moeder],
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde,
verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht.

1.Het geding in hoger beroep en in het incident tot schorsing

1.1
Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.
1.2
De vader is bij dagvaarding van 19 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) van 23 juli 2025 (hierna: het bestreden vonnis), in kort geding gewezen onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer tussen de vader als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de moeder als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.
De appeldagvaarding van de vader bevat de grieven. Tevens bevat de appeldagvaarding een vordering tot schorsing van de werking van het bestreden vonnis.
1.3
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord van de zijde van de moeder (genomen op de rol van 16 september 2025), met producties 1 en 2, tevens houdende antwoord in het incident tot schorsing;
- een bericht van de zijde van de vader van 19 september 2025, met de processtukken uit eerste aanleg;
- een bericht van de zijde van de vader van 22 september 2025, met producties H.1 t/m H.5;
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 september 2025, met productie 3;
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 september 2025, met productie 4.
1.4
De vader heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden door middel van het overleggen van schriftelijke stukken.
1.5
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Hierbij waren aanwezig:
-de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
1.6
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Feiten

2.1
Het hof gaat uit van de door de voorzieningenrechter (onder 2.1 tot en met 2.6) vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. De vader heeft in grief 1 geklaagd dat de voorzieningenrechter onder 2.4 de feiten niet volledig heeft vastgesteld. Het hof zal daar in de beoordeling nader op ingaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.
2.2
Partijen zijn met elkaar gehuwd [in ] 2019. Het huwelijk is ontbonden op 6 april 2021 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
2.3
Uit de relatie van partijen is [in ] 2015 te [plaats C] hun zoon [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) geboren. De vader heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.4
Op 16 februari 2021 zijn partijen een ouderschapsplan overeengekomen. Dit ouderschapsplan houdt voor zover hier relevant het volgende in:
‘(…)
2.3
De ouders blijven tot [minderjarige 1] de basisschool verlaat woonplaats kiezen in [plaats B] , op een afstand van maximaal 5 kilometer van de school en elkaar. Daarna staat het elk der partijen vrij om op een grotere afstand van elkaar ergens in Nederland te gaan wonen, mits dit aan de uitvoering van het co-ouderschap niet in de weg staat.
(…)
3.3
De ouders zullen om beurten de zorg voor het kind op zich nemen. [minderjarige 1] verblijft van zondagavond 17.00 uur tot woensdagochtend 12.15 uur bij de ene ouder. Woensdagmiddag 12.15 uur tot vrijdagavond 17.00 uur bij de andere ouder, met het weekend om en om (…)’
2.5
De in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling is in de loop der tijd een aantal keer gewijzigd door partijen. Deze wijzigingen hebben partijen niet schriftelijk vastgelegd.
2.6
Op verzoek van de vader is de zorgregeling per 4 juni 2024 wederom gewijzigd. Aanleiding voor deze wijziging was de geboorte van [minderjarige 2] ( [in ] 2024), de zoon van de vader en zijn huidige partner. De wijziging hield in dat [minderjarige 1] de ene week van donderdagmiddag uit de BSO tot vrijdagmiddag 17.00 uur bij de vader verbleef en in de andere week van donderdagmiddag uit de BSO tot maandagochtend naar school. Kort na deze wijziging zijn partijen overeengekomen dat de moeder [minderjarige 1] op donderdagmiddag na school opvangt waarna [minderjarige 1] om 18.30 naar de vader gaat.
2.7
Ten tijde van de zitting bij het hof voerden de ouders de onder 2.6 genoemde zorgregeling uit.
2.8
De moeder is voornemens met [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats D] in verband met onder meer het werk van haar partner.
2.9
De moeder heeft op 26 mei 2025 een verzoekschrift ex artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. Zij heeft verzocht om vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar [plaats D] te mogen verhuizen en om hem te mogen inschrijven op een school aldaar. Ook heeft zij de rechtbank verzocht om de zorgregeling te wijzigen. De mondelinge behandeling van deze verzoeken is door de rechtbank bepaald op 4 december 2025.

3.De vorderingen

3.1
Bij de voorzieningenrechter heeft de vader (in conventie) gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te veroordelen
I. tot nakoming van de tussen partijen overeengekomen zorgregeling, waarbij [minderjarige 1] in de even weken van woensdagavond 18.00 uur tot en met vrijdagmiddag 17.00 uur bij de vader verblijft en in de oneven weken van woensdagavond 18.00 uur tot en met maandagochtend naar school in de week erop, althans een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] 50% van de tijd bij de vader verblijft en 50% van de tijd bij de moeder verblijft zoals partijen oorspronkelijk zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, althans een zorgregeling vast te stellen die de voorzieningenrechter in goede justitie redelijk acht en
II. de moeder te verbieden voorbereidingen te treffen om met [minderjarige 1] te verhuizen van [plaats B] naar [plaats D] , althans buiten een straal van vijf kilometer van [plaats B] totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist op het verzoek tot vervangende toestemming om te mogen verhuizen en [minderjarige 1] te mogen inschrijven op een school in [plaats D] , althans de moeder te verbieden [minderjarige 1] actief te betrekken bij de voorbereidingen voor de voorgenomen verhuizing naar [plaats D] zolang de vervangende toestemming daarvoor ontbreekt, en
III. te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag, of een ander bedrag dat de voorzieningenrechter redelijk acht, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan het onder I en II gevorderde.
3.2
De moeder heeft (in reconventie) gevorderd voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de huidige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] voorlopig dient te worden nagekomen tussen partijen, totdat in de bodemprocedure bepaald is hoe de regeling eruit dient te komen te zien en/of er toestemming is voor verhuizing, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling.
3.3
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter in conventie de gevraagde voorzieningen geweigerd. In reconventie heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de huidige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] voorlopig moet worden nagekomen tussen partijen, totdat in de bodemprocedure is bepaald hoe de regeling eruit moet komen te zien en/of er toestemming is voor verhuizing. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.4
De vader heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de vader in eerste aanleg alsnog zal toewijzen.
In het incident op de voet van artikel 351 Rv heeft de vader gevorderd zo nodig bij afzonderlijk vooraf te wijzen en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 23 juli 2025 te schorsen en te staken – met betrekking tot de zorgregeling – dan wel de moeder te verbieden het vonnis ten uitvoer te leggen en haar te gebieden na te laten om tot gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan voor de duur van de appelprocedure.
3.5
De moeder heeft geconcludeerd dat het hof de grieven van de vader zal afwijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de proceskosten in hoger beroep. Het verweer van de moeder in het incident strekt tot afwijzing van het gevorderde.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1
De procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkenen vragen om een onmiddellijke voorziening die voorlopig van kracht is totdat de rechter in een bodemzaak een definitieve beslissing heeft gegeven.
Het hof dient ambtshalve vast te stellen of sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij wordt voorop gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is.
4.2
De moeder betwist dat de vader een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Het gegeven dat er een procedure op grond van artikel 1:253a BW loopt en dat er momenteel een goed functionerende zorgregeling is sluit volgens de moeder een spoedeisend belang uit.
4.3
Het hof overweegt als volgt. Een verzoek op grond van artikel 1:253a BW behoort door de rechtbank binnen zes week na binnenkomst te worden behandeld. Door omstandigheden die buiten de invloedssfeer van partijen liggen wordt het verzoek van de moeder van 26 mei 2025 pas behandeld ter zitting van 4 december 2025. Gelet op de lange duur tussen indiening van het verzoekschrift en de behandeling door de rechtbank kan niet worden gesteld dat het aanhangig zijn van de procedure op grond van artikel 1:253a BW maakt dat de vader geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen in kort geding.
De vader stelt dat de huidige zorgregeling een tijdelijke zorgregeling is en wenst dat uitvoering gegeven wordt aan de oorspronkelijke zorgregeling, bovendien stelt de vader dat de huidige regeling niet goed functioneert. Uit de aard van de zaak en de gevorderde voorziening volgt naar het oordeel van het hof een voldoende spoedeisend belang van de vader bij een beslissing van de voorzieningenrechter in hoger beroep.
Standpunten van partijen
4.4
De vader heeft acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Het grootste bezwaar van de vader is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure niet in het belang is van [minderjarige 1] om de huidige zorgregeling aan te passen aan de wens van de vader (grief 8). Volgens de vader is het voor partijen altijd duidelijk geweest dat de huidige zorgregeling een tijdelijke regeling is die partijen zijn overeengekomen vanwege aan de zijde van de vader bestaande omstandigheden die thans niet meer spelen. Omdat die omstandigheden niet meer spelen behoren partijen weer over te gaan tot het uitvoeren van de oorspronkelijke zorgregeling. Het voortzetten van de huidige regeling schaadt volgens de vader de belangen van [minderjarige 1] . Daarbij heeft de voorzieningenrechter volgens de vader de feiten niet juist vastgesteld (grief 1 en grief 4), zijn de vorderingen van hem verkeerd uitgelegd (grief 2) en zijn hem ten onrechte woorden in de mond gelegd (grief 3). Ook heeft de voorzieningenrechter volgens de vader ten onrechte overwogen dat de huidige regeling al 16 maanden goed verloopt (grief 5), dat [minderjarige 1] last heeft van de huidige situatie (grief 6) en dat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat dat de moeder de gevraagde toestemming voor de verhuizing naar [plaats D] zal krijgen (grief 7).
4.5
De moeder betwist de stellingen van de vader en zij voert verweer, waarop hierna waar nodig zal worden ingegaan.
De zorgregeling
4.6
De vader en de moeder hebben na hun echtscheiding in 2021 ieder voor zich keuzes gemaakt over de inrichting van hun leven. Zij zijn nieuwe relaties aangegaan en er is een halfbroertje van [minderjarige 1] geboren. [minderjarige 1] groeit op in twee gezinnen en hij woont in (minstens) twee huizen. Sinds de echtscheiding van zijn ouders wordt [minderjarige 1] geconfronteerd met veel veranderingen in het leven van zijn ouders welke veranderingen (een zekere) onbestendigheid en onvoorspelbaarheid in zijn opgroei- en opvoedsituatie met zich brengen. De eigen keuzes van de ouders hebben er ook toe geleid dat de zorgregeling inmiddels een aantal keren is gewijzigd. In dit kort geding kan niet op voorhand worden uitgesloten dat binnen afzienbare termijn wéér een verandering gaat komen in de zorgregeling als gevolg van de door de moeder voorgenomen verhuizing naar [plaats D] . En ook de geboorte van een baby in het nieuwe gezin van de vader en een aanstaande verhuizing van dit gezin zal voor [minderjarige 1] weer nieuwe veranderingen met zich brengen. Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat [minderjarige 1] op dit moment niet alweer moet worden geconfronteerd met een aanzienlijke wijziging van de zorgregeling, een wijziging waarvan niet op voorhand valt uit te sluiten dat die binnen afzienbare termijn weer zal wijzigen. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige 1] om de zorgregeling thans volledig aan te passen aan de wens van de vader. Het hof laat daarbij in het midden of de regeling van 4 juni 2024 al dan niet zestien maanden heeft geduurd en of de voorzieningenrechter de feiten rondom de wijziging van 4 juni 2024 volledig juist heeft weergegeven. Kern van het oordeel van het hof is dat er in elk geval voor nu rust, voorspelbaarheid en regelmaat voor [minderjarige 1] moet zijn. Wel ziet het hof aanleiding om de zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] in zeer beperkte mate aan te passen, namelijk wat betreft de donderdagmiddag. In zoverre slaagt grief acht van de vader. Naar het oordeel van het hof is het voor [minderjarige 1] rustiger en is de zorgregeling minder gefragmenteerd als hij donderdagmiddag na school door de vader wordt opgehaald. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij in de gelegenheid is om [minderjarige 1] op de donderdag steeds van school op te halen. Het hof gaat ervan uit dat de moeder haar medewerking verleent aan een juiste uitvoering van deze zorgregeling en het hof zal de vordering van de vader om een dwangsom op te leggen afwijzen.
Het hof zal het bestreden vonnis dan ook vernietigen en een tijdelijke zorgregeling vaststellen waarbij [minderjarige 1] bij de vader verblijft in de ene week van donderdag uit school tot maandagochtend 8.30 uur en in de andere week van donderdag uit school tot vrijdag 17.00 uur. Het hof zal daarbij bepalen dat de vader [minderjarige 1] donderdagmiddag van school ophaalt.
Het hof wijst partijen erop dat zijn beslissing het karakter van een ordemaatregel draagt. De beslissing over de definitieve zorgregeling wordt in de bodemprocedure genomen.
4.7
Ten aanzien van de derde grief overweegt het hof dat niet vastgesteld kan worden of de vader tegen [minderjarige 1] heeft gezegd dat hij sowieso niet gaat verhuizen. In zoverre slaagt deze grief maar dit leidt niet tot een andere beslissing van het hof. Wat betreft de zesde grief van de vader overweegt het hof onder verwijzing naar zijn overweging onder 4.6 dat de voorzieningenrechter op juiste gronden heeft kunnen overwegen dat [minderjarige 1] last heeft van de situatie.
Verbod aan de moeder om voorbereidingen treffen voor de verhuizing?
4.8
In zijn tweede grief klaagt de vader erover dat de voorzieningenrechter zijn vordering onder II heeft opgevat als een vordering om de moeder te verbieden om te verhuizen met [minderjarige 1] . Deze grief slaagt in zoverre dat de vader onder II van het petitum heeft gevorderd de moeder te verbieden
voorbereidingen te treffenom met [minderjarige 1] te verhuizen. Het hof zal deze vordering echter afwijzen evenals de aan die vordering gekoppelde vordering om een dwangsom op te leggen. Het hof kan gelet op de huidige situatie op dit punt geen ordemaatregel meer treffen. Gebleken is immers dat de moeder inmiddels een huis in [plaats D] heeft gekocht met haar huidige partner. Op dit moment is dus geen sprake meer van voorbereidende handelingen en ook [minderjarige 1] is er inmiddels van op de hoogte dat de moeder met hem naar [plaats D] wil verhuizen. Naar het oordeel van het hof staat het de moeder vrij om een huis te [plaats D] te kopen en staat dit los van de vraag of zij van de rechtbank ook vervangende toestemming zal krijgen om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats D] . Voor zover de vader met zijn vordering onder II heeft beoogd te bereiken dat het de moeder wordt verboden om in een weekend samen met [minderjarige 1] in [plaats D] te verblijven, is die vordering evenmin toewijsbaar. Nog daargelaten of voor toewijzing van de vordering een toereikende wettelijke grondslag bestaat: het staat de moeder vrij om in het weekend dat [minderjarige 1] bij haar blijft (af en toe) met hem naar [plaats D] te reizen en daar tijd door te brengen met haar partner en haar andere kinderen, de beide halfbroers van [minderjarige 1] . Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de sociale of -sportactiviteiten van [minderjarige 1] in [plaats B] daardoor onaanvaardbaar worden doorkruist.
4.9
Het bewijsaanbod van de vader behoeft geen bespreking meer omdat de vader de door hem ten bewijs van zijn stellingen aangeboden stukken al in de procedure in hoger beroep heeft ingebracht.
Vordering in het incident tot schorsing
4.1
Omdat het hof met dit arrest een einduitspraak doet, heeft de vader geen belang meer bij zijn vordering tot schorsing van de werking van het bestreden vonnis. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.11
De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen worden gecompenseerd gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.
4.12
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor wat betreft de voorziening met betrekking tot de zorgregeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt de volgende tijdelijke zorgregeling vast totdat de rechtbank hierover in de bodemprocedure heeft beslist of partijen anders zijn overeengekomen:
- [minderjarige 1] verblijft in de ene week van donderdag uit school tot maandagochtend 8.30 uur bij de vader en in de andere week van donderdag uit school tot vrijdag 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] op de donderdag uit school ophaalt;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. A.N. van de Beek, mr. F. Kleefmann en mr. J.W. van Zaane en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.