ECLI:NL:GHAMS:2025:3018
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vernietiging onderbewindstelling wegens ontbreken gronden voor bewindvoering
De kantonrechter had op 17 januari 2025 de goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld wegens diens lichamelijke en/of geestelijke toestand. De rechthebbende kwam hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat hij in goede gezondheid verkeert en zijn financiële belangen zelf kan behartigen. Zijn zoons hadden het verzoek tot onderbewindstelling ingediend.
Tijdens de zitting in hoger beroep op 26 september 2025 werd vastgesteld dat de echtgenote en de bewindvoerder niet aanwezig waren. Het hof oordeelde dat de gronden voor onderbewindstelling niet aanwezig waren ten tijde van de beschikking en ook nu niet. Er was geen bewijs van gebrek aan financieel inzicht, schulden of onverantwoorde uitgaven. De rechthebbende gaf aan samen te werken met de bewindvoerder van zijn echtgenote.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover het de onderbewindstelling van de rechthebbende betreft, bepaalde dat de bewindvoerder binnen twee maanden een eindrekening moet afleggen en compenseerde de proceskosten tussen partijen. Het verzoek tot proceskostenveroordeling werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof vernietigt de onderbewindstelling van de rechthebbende wegens het ontbreken van gronden en wijst het verzoek tot onderbewindstelling af.