ECLI:NL:GHAMS:2025:3029

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
23-000259-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 404 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis diefstal in vereniging met braak en afwijzing verweren in hoger beroep

Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 januari 2024 behandeld. De verdachte was vrijgesproken van bepaalde tenlasteleggingen, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen deze vrijspraken was gericht. De zaak betrof diefstal door twee of meer verenigde personen met braak.

De verdediging voerde aan dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte een wegnemingshandeling had verricht en dat er onvoldoende bewijs was voor deelname aan diefstal in vereniging. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de gedragingen van verdachte en medeverdachten als diefstal in vereniging met braak moeten worden beschouwd. De bewijsmotivering werd aangevuld.

Daarnaast werd het verweer tegen de vordering van de benadeelde partij behandeld. De vordering betrof een bedrag van €170,00 aan weggenomen kasgeld uit een geldkistje in een huisartsenpraktijk. Het hof oordeelde dat voor een dergelijke beperkte kasgeldvordering geen gedetailleerde administratie vereist is en verwierp het verweer van de raadsman.

Het hof bevestigde het vonnis voor zover het inhoudelijk oordeel betreft en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van de overige tenlasteleggingen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor diefstal in vereniging met braak en verklaart verdachte niet-ontvankelijk voor hoger beroep tegen vrijspraak.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000259-24
datum uitspraak: 7 november 2025
TEGENSPRAAK (
gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-263327-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
door de verdachte opgegeven adres: [adres] ).
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat hem onder 2 en 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het inhoudelijk oordeel onderworpen, en zal dit dan ook in zoverre bevestigen, met dien verstande dat het hof:
de bewijsmotivering zal aanvullen naar aanleiding van een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer;
het in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bespreekt;
de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde als volgt verbeterd leest:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering betreft de in het vonnis opgenomen kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde een kennelijke misslag, die op de strafbepaling geen invloed zal hebben gehad, en die zich om die redenen leent voor deze verbeterde lezing.

Ad. 1. Aanvulling op de bewijsmotivering

De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een wegnemingshandeling heeft verricht en dat ook niet blijkt van een bijdrage van voldoende gewicht aan het ‘in vereniging’ begaan van de inbraak. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Het hof overweegt, in aanvulling op wat de rechtbank al heeft overwogen, dat het feit dat niet is komen vast te staan dat een wegnemingshandeling is verricht door de verdachte, niet aan een bewezenverklaring in de weg staat. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten, zoals omschreven in het vonnis, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden beschouwd dan als een diefstal in vereniging met braak. Het bewijsverweer wordt verworpen.

Ad. 2. Verweer ten aanzien van de vordering benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep alleen aan de orde tot het in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen bedrag van € 170,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het gaat om weggenomen geld uit een opengebroken geldkistje – in het vonnis ook aangeduid als kluis – in de backoffice van de huisartsenpraktijk.
De raadsman heeft deze vordering betwist. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, nu er geen administratie is aangeleverd met betrekking tot het ontbrekende bedrag uit de kluis. Dat mag wel verwacht worden van een professionele partij zoals een huisartsenpraktijk, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dat het contante geld dat uit het geldkistje is weggenomen kennelijk bestemd was voor intern gebruik en collegiale uitgaven (kasgeld). Gelet op de aard van de werkzaamheden binnen een huisartsenpraktijk ligt een ander type contante geldstroom dan voor dit soort uitgaven immers niet voor de hand. Voor vergoeding van ontbrekend kasgeld van deze beperkte omvang hoeft niet verwacht te worden dat hiervan een actueel bijgehouden administratie wordt overgelegd, ook niet als een professionele partij schadevergoeding vordert. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. H.A. van Eijk en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2025.
mr. H.A. van Eijk en mr. R. Bleumers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.