Uitspraak
gemachtigd raadsman)
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 januari 2024 behandeld. De verdachte was vrijgesproken van bepaalde tenlasteleggingen, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen deze vrijspraken was gericht. De zaak betrof diefstal door twee of meer verenigde personen met braak.
De verdediging voerde aan dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte een wegnemingshandeling had verricht en dat er onvoldoende bewijs was voor deelname aan diefstal in vereniging. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de gedragingen van verdachte en medeverdachten als diefstal in vereniging met braak moeten worden beschouwd. De bewijsmotivering werd aangevuld.
Daarnaast werd het verweer tegen de vordering van de benadeelde partij behandeld. De vordering betrof een bedrag van €170,00 aan weggenomen kasgeld uit een geldkistje in een huisartsenpraktijk. Het hof oordeelde dat voor een dergelijke beperkte kasgeldvordering geen gedetailleerde administratie vereist is en verwierp het verweer van de raadsman.
Het hof bevestigde het vonnis voor zover het inhoudelijk oordeel betreft en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van de overige tenlasteleggingen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor diefstal in vereniging met braak en verklaart verdachte niet-ontvankelijk voor hoger beroep tegen vrijspraak.