ECLI:NL:GHAMS:2025:3100
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vervangende toestemming erkenning minderjarige door vader
De zaak betreft het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor erkenning van zijn vierjarige dochter, wiens moeder in 2024 is overleden. De grootmoeder, belast met de voogdij, en de bijzondere curator zijn tegen het verzoek en stellen dat erkenning schadelijk kan zijn voor het welzijn van het kind.
De rechtbank had het verzoek van de vader toegewezen, waarna de grootmoeder in hoger beroep ging. Het hof oordeelt dat de grootmoeder als voogd belanghebbende is en ontvankelijk is in het hoger beroep. Het hof bevestigt dat op de erkenning het Belgische recht van toepassing is, maar dat het gezag over het kind volgens Nederlands recht wordt geregeld.
Het hof concludeert dat erkenning door de vader niet automatisch leidt tot het verkrijgen van gezag en dat de grootmoeder als voogd het gezag kan blijven uitoefenen. Hierdoor komt de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind niet in gevaar. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de grootmoeder en het incidenteel hoger beroep van de bijzondere curator af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die vervangende toestemming verleent aan de vader voor erkenning van zijn dochter.