ECLI:NL:GHAMS:2025:3108

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
23-001390-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en oplegging van gevangenisstraf en taakstraf in hoger beroep tegen verdachte voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, diefstal en opzetheling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 18 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, geboren in 1977, had hoger beroep ingesteld tegen een eerder vonnis waarin hij was veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder het opzettelijk vervoeren van GHB, het besturen van een voertuig zonder geldig rijbewijs, en het voorhanden hebben van een verboden wapen. De tenlastelegging omvatte ook diefstal van een Apple iPhone en opzetheling van een fatbike. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig onderzocht, waarbij het heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem tenlastegelegde feiten. Het hof heeft het eerdere vonnis vernietigd omdat het niet voldeed aan de eisen van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf bevolen, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. Het hof heeft de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen bij het bepalen van de straffen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001390-25
datum uitspraak: 18 november 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-378425-24 (Zaak A) en 13-180775-23 (Zaak B) en 13-248940-24 (Zaak C), alsmede 13-216863-21 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
adres: [adres 1].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2025 en 18 november 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak A1.
hij op of omstreeks 26 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 90 ml, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde GHB een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 26 november 2024 te Amsterdam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten rijbewijs, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [adres 2], als bestuurder een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
3.
hij op of omstreeks 26 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een valmes voorhanden heeft gehad;
Zaak Bhij op of omstreeks 1 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Apple Iphone 12, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak Chij op of omstreeks 2 augustus 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike (merk: Knaap) en/of een elektrische bakfiets (merk: Urban Arrow), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat dit vonnis niet de redengevende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bevat.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde feiten in de zaken A, B en C.
De verdediging heeft zich in zaak A gerefereerd aan het oordeel van het hof. In zaak B, de diefstal in vereniging, is vrijspraak bepleit en naar voren gebracht dat de verdachte en de medeverdachte per ongeluk de telefoon van de kassière hebben meegenomen. De medeverdachte zou bij het afrekenen aan de verdachte hebben gevraagd om zijn telefoon even vast te houden en heeft toen de verdachte per abuis de telefoon van de kassière meegegeven. Toen de verdachte en de medeverdachte zich dit realiseerden, was de winkel inmiddels gesloten en besloten zij de telefoon mee naar huis te nemen. In zaak C, de opzetheling, is ook vrijspraak bepleit en is naar voren gebracht dat de verdachte ten tijde van de verwerving van de fatbike niet wist dat deze fatbike was gestolen.
Het hof overweegt als volgt.
Zaak B
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wat hem onder 1 is tenlastegelegd en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier maakt het hof op dat de medeverdachte tijdens het afrekenen bij de kassa de telefoon heeft gepakt en dat hij deze aan de verdachte heeft gegeven. Het hof gaat niet mee in de verklaring van de verdachte dat hij en zijn mededader de telefoon abusievelijk zouden hebben meegenomen. Immers blijkt uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte dat zij beiden over een ander moment spreken waarop werd ontdekt dat de telefoon van aangeefster per ongeluk was meegenomen. Bovendien is de telefoon – die in een hoesje zat met opvallend wit marmeren motief – direct na het ontvreemden uitgezet en is de simkaart uit de telefoon verwijderd, wat niet rijmt met een abusievelijke wegneming, maar juist wel met een wederrechtelijke toe-eigening. Het hof acht daarom wettelijk en overtuigend bewezen dat de verdachte, in vereniging met de medeverdachte, de telefoon heeft gestolen.
Zaak C
Op grond van het dossier stelt het hof allereerst vast dat de inbeslaggenomen fatbike van misdrijf, te weten van diefstal, afkomstig was. De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij de fatbike van een kennis, [naam], heeft gekocht. De verdachte heeft ook verklaard dat hij de fatbike één of twee maanden in zijn bezit had. De verdachte stelt dat hij niet wist dat de fatbike van misdrijf afkomstig was.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt dat de nieuwprijs van een Knaap fatbike rond de € 2.200,- bedraagt. De fatbike waar het hier om gaat had geen accu en het framenummer stond als gestolen geregistreerd.
De verdachte heeft wisselend verklaard over hoe hij aan de fatbike is gekomen. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat hij de fatbike van [naam] had geleend, terwijl hij bij de rechter-commissaris en op zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij de fatbike van hem heeft gekocht. Ook heeft hij wisselend verklaard over het aankoopbedrag dat hij [naam] voor de fatbike zou hebben betaald. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij de fiets voor € 900,- heeft gekocht, terwijl hij op de zitting in hoger beroep eerst verklaarde dat hij € 600,- had betaald, om vervolgens te verklaren dat hij deze voor € 300,- had gekocht, omdat er geen accu bij de fatbike zat. De verklaring van de verdachte dat hij de fatbike al een maand of twee in zijn bezit had, valt niet te rijmen met het feit dat uit de aangifte blijkt dat de fatbike in de nacht van 18 juli 2024 is gestolen, terwijl de fatbike op 2 augustus 2024 in beslag is genomen. Tot slot overweegt het hof dat de politie, naar aanleiding van de verklaring van de verdachte dat hij het telefoonnummer van [naam] in zijn telefoon had opgeslagen, heeft geverbaliseerd dat geen van de potentiële telefoonnummers van [naam] in gebruik was. Deze persoon bleek niet traceerbaar. Een nadere onderbouwing van de betrokkenheid van deze [naam] is uitgebleven.
Uit al het voorgaande in onderlinge samenhang blijkt dat het niet anders kan dan dat de verdachte ten tijde van het verwerven van de fatbike wist dat de fatbike van diefstal afkomstig was. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn wisselende verklaringen heeft getracht de waarheid, dat hij opzettelijk de gestolen fatbike voorhanden had, te bemantelen. Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde opzetheling.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A, B en C tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A
1.
hij op 26 november 2024 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 90 ml van een materiaal bevattende GHB;
2.
hij op 26 november 2024 te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [adres 2], als bestuurder een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), van die categorie heeft bestuurd;
3.
hij op 26 november 2024 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een valmes, voorhanden heeft gehad;

Zaak B

1.1.hij op 1 juli 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een Apple Iphone 12, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak C

1.1.hij op 2 augustus 2024 te Amsterdam een fatbike (merk: Knaap) voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Wat in bovengenoemde zaken meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 13-378425-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 13-378425-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het in de zaak met parketnummer 13-378425-24 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het in de zaak met parketnummer 13-180775-23 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Het in de zaak met parketnummer 13-248940-24 bewezenverklaarde levert op:
opzetheling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard; door zo te handelen heeft de verdachte de regels die gelden in het verkeer genegeerd. Daarnaast heeft de verdachte een verboden middel vervoerd en een verboden wapen aanwezig gehad. Drugs leveren een gevaar op voor de volksgezondheid en van wapenbezit gaat een dreigend en gevaarlijk karakter uit. De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan de opzetheling van een fatbike en de diefstal in vereniging van een telefoon. Dergelijke feiten brengen naast overlast en ergernis ook financiële schade voor de betrokkenen met zich mee.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 oktober 2025 is hij eerder ter zake van een opium- en een vermogensdelict onherroepelijk veroordeeld. Verder stelt het hof vast dat de verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd tijdens een lopende proeftijd. Eerder aan de verdachte opgelegde straffen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om wederom strafbare feiten te begaan.
Het hof is, alles afwegende, met de advocaat-generaal van oordeel dat ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten – naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 19 dagen, die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht – een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en geboden is.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsman heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen nu de toewijzing van die vordering ertoe zal leiden dat aan de verdachte een taakstraf van – in totaal – 70 uren wordt opgelegd, terwijl de verdachte niet in staat zal zijn zo’n hoge taakstraf uit te voeren.
In wat door de raadsman naar voren is gebracht, ziet het hof bij gebrek aan onderbouwing geen aanleiding om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in Zaak A (13-378425-24) onder 1, 2 en 3, Zaak B (13-180775-23) en Zaak C (13-248940-24) tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezenverklaarde, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
19 (negentien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2023, parketnummer 13-216863-21, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. H.A. Stalenhoef en mr. A.H. Tiemens, in tegenwoordigheid van
mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 november 2025.