Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Tenlastelegging
zij op of omstreeks 29 oktober 2020 te Purmerend grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een woning, gelegen aan de [adres 2] (te Purmerend), (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een grote hoeveelheid) kleding en/of papier en/of andere (brandbare) goederen (in de gang van die woning), althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat de inboedel van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor
Vonnis waarvan beroep
Bewijsoverweging
haar naamstond: pasnummer 019. Dit betreft de pas waarmee de hiervoor genoemde betaling is gedaan. [naam] heeft verklaard dat deze bankpas in het bezit was van de verdachte en dat zij zelfs niet op de hoogte was van de pincode van deze pas. Het hof gaat er gelet op het voorgaande dan ook van uit dat de verdachte op 29 oktober 2020, zeer kort voordat de brand werd gemeld, circa vijf liter benzine heeft gekocht. Dit past ook binnen de tijdlijn nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tien minuten later de bus wilde halen en blijkbaar al wakker was en klaar stond om haar dag te beginnen op dit vroege tijdstip. Dat de bankpas later die dag bij de aanhouding van de verdachte niet bij haar is aangetroffen, maakt dat niet anders. De verdachte had immers de mogelijkheid om de bankpas die ochtend bij haar dochter in Amsterdam achter te laten, hetgeen tevens kan verklaren waarom ook na haar aanhouding nog betalingen met de pas zijn gedaan (hetgeen de verdediging ter ontlasting van de verdenking heeft opgeworpen). Een en ander sluit bovendien aan bij de verklaring van [naam] dat zij de bankpas in december 2020 van de dochter van de verdachte heeft teruggekregen.
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van de verdachte
Oplegging van straf
dat kaderoverweegt het hof dat het zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de hoeveelheid spullen in de woning van de verdachte en het feit dat zij binnen afzienbare tijd gedwongen haar woning diende te verlaten zonder dat er zicht was op een in haar ogen acceptabele vervangende woning, belangrijke factoren zijn geweest bij de beslissing van de verdachte om haar woning in brand te steken. Het is dan ook mede voor de samenleving belangrijk dat de huidige stabiele situatie in stand blijft. Ook weegt het hof mee dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wist dat op het moment van de brand in de belendende woningen geen personen aanwezig waren en dus geen fysiek gevaar voor haar directe buren bestond. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet wenselijk en noodzakelijk dat de verdachte (zonder meer) opnieuw komt vast te zitten. Wel is het van groot belang dat er nog een deel voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd hangt van de verdachte. Hiermee beoogt het hof enerzijds de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.