ECLI:NL:GHAMS:2025:3202
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens te laat ingesteld hoger beroep zonder verontschuldigbare omstandigheden
De verdachte werd door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan een deel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar dit gebeurde pas op 26 oktober 2022, ruim na de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen na het vonnis van 15 mei 2019.
Het gerechtshof Amsterdam verklaarde de verdachte in eerste instantie niet-ontvankelijk in hoger beroep. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug vanwege een procedureel gebrek: het recht van de verdachte om het laatst te spreken was niet gelaten, wat leidde tot nietigheid van het eerdere onderzoek.
Bij de hernieuwde behandeling op 6 november 2025 stelde het hof vast dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar was. De verdediging voerde een burn-out aan en een deskundigenrapport, maar het hof oordeelde dat de verdachte destijds in overleg met zijn raadsvrouw bewust had besloten geen hoger beroep in te stellen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen.
Daarom verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep en handhaafde het de eerdere beslissing dat het hoger beroep niet ontvankelijk was.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verontschuldigbare omstandigheden.