Appellant is in eerste aanleg in staat van faillissement verklaard wegens het niet voldoen van achterstallige pensioenpremies aan pensioenfondsen. Het verzet tegen dit vonnis werd door de rechtbank ongegrond verklaard omdat appellant nog niet aan alle betalingsverplichtingen had voldaan.
In hoger beroep heeft appellant aangetoond dat alle openstaande vorderingen, waaronder die van pensioenfondsen en overige schuldeisers, integraal zijn voldaan en dat met de curator een regeling is getroffen voor de faillissementskosten. De curator en de pensioenfondsen hebben dit bevestigd.
Het hof oordeelt dat appellant niet langer verkeert in de toestand van opgehouden te betalen en vernietigt het bestreden vonnis en het faillissementsvonnis. Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen en het salaris van de curator wordt vastgesteld en ten laste van appellant gebracht.
Het arrest is op 25 november 2025 uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de zaak na de regeling en betaling van schuldeisers en faillissementskosten definitief is beslecht.