Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
.Het hof oordeelt dat [appellant] , op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] mededeling had behoren te doen aan [appellant] omdat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikte over informatie omtrent zijn gezondheid, op grond waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de functie van monteur. Het beroep op dwaling slaagt ook niet in hoger beroep. Het hof concludeert dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] niet buitengerechtelijk mocht vernietigen.
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Betrokkene lijkt een aandoening te hebben die belastingsafhankelijk in meer of mindere mate ( forse) klachten geeft. Betrokkene heeft reeds meerdere onderzoeken gehad alsook specialisten. Dit duurt nog voort, een definitieve diagnose is nog niet gesteld.
(…) Onze stafarts geeft aan dat van mening is dat je niet hebt verzwegen dat je een chronische ziekte zou hebben, zoals hij tijdens het consult heeft aangegeven zijn de klachten pas na het in dienst treden bij [appellant] dusdanig ernstig geworden dat je bent verwezen naar een academisch centrum om een duidelijke diagnose te krijgen. Voorlopig is het een vermoedde auto-immuun ziekte.
• Patiënt heeft een intermediaire uveitis in beide ogen. Dit is een auto-immuun-ontsteking en tot op heden is geen onderliggende oorzaak gevonden.
4.Eerste aanleg
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling
dertien grievenop tegen de beslissingen in het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
rieven 1 tot en met 6 en 8 in principaal beroepbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] wegens dwaling niet rechtsgeldig is. Ter toelichting op deze grieven voert [appellant] het volgende aan. [geïntimeerde] was bij [bedrijf 1] in dezelfde functie werkzaam en heeft zich daar diverse keren voor langere perioden ziekgemeld wegens verschillende ziekteoorzaken. De oorzaak van deze klachten was niet bekend, maar zij hielden verband met ontstekingen. Hiervoor zat [geïntimeerde] in een langdurig onderzoeks- en diagnosetraject. [appellant] verwijst in dat verband op de door haar voor het eerst in hoger beroep overgelegde probleemanalyse van de bedrijfsarts van [bedrijf 1] van 13 december 2021, waaruit volgt dat [geïntimeerde] volledig arbeidsongeschikt is en er geen benutbare mogelijkheden bestaan op dat moment. In deze probleemanalyse heeft de bedrijfsarts erop gewezen dat de mogelijke aandoening belastingafhankelijk is en dat hoogst twijfelachtig is of [geïntimeerde] kan terugkeren in zijn huidige fysiek zware werk. [geïntimeerde] heeft vervolgens zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] opgezegd om per 1 februari 2022 in de fysiek lichtere functie van uitvoerder aan de slag te gaan bij de [groep] . Kort daarna heeft [geïntimeerde] bij [appellant] gesolliciteerd naar dezelfde en fysiek zwaardere functie van monteur, waarna hij per 1 mei 2022 in dienst is getreden. [geïntimeerde] is na zijn proeftijd minder gaan functioneren en daarover heeft [appellant] een aantal keer informeel met hem gesproken. Omdat [geïntimeerde] uiteindelijk vanaf 8 november 2022 arbeidsongeschikt raakte is een verbetertraject niet van de grond gekomen. [appellant] wijst verder nog op het verslag van de bedrijfsarts van [appellant] van 21 november 2022, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij vermoedelijk een chronische aandoening heeft die regelmatig opvlamt. Het voorgaande laat geen ruimte voor een ander oordeel dan dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst wist of behoorde te weten dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat dit hem ingrijpend en langdurig zou beperken in het uitvoeren van zijn werkzaamheden als monteur. [geïntimeerde] heeft dit ten onrechte niet medegedeeld aan [appellant] . [appellant] heeft daarom op juiste gronden de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling, aldus nog steeds [appellant] .
grief 7 in principaal beroepkomt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter ten overvloede dat, nu [geïntimeerde] zich reeds voor het moment van de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst door [appellant] had ziekgemeld in verband met zijn klachten, hij op het moment van vernietiging ontslagbescherming bij ziekte genoot. Nu het hof oordeelt dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] niet buitengerechtelijk mocht vernietigen kan een inhoudelijke bespreking van deze grief achterwege blijven.
grieven 9, 11 en 13 in principaal beroepgaan ervan uit dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd. Dat is niet het geval, zodat een inhoudelijke bespreking van deze grieven achterwege kan blijven.
grief 10 in principaal beroepbestrijdt [appellant] , ten slotte, nog dat de kantonrechter ten onrechte de wettelijke verhoging van 20% heeft toegewezen, terwijl [geïntimeerde] met zijn (ongenummerde)
grief in incidenteel beroepbetoogt dat de kantonrechter ten onrechte tot matiging van de wettelijke verhoging is overgegaan en dat aanleiding bestaat om [appellant] te veroordelen tot betaling van de volle 50% wettelijke verhoging.
grief 12 in principaal beroepniet, waarmee [appellant] opkomt tegen de door de kantonrechter uitgesproken kostenveroordeling. Immers, [appellant] wordt ook in hoger beroep in het ongelijk gesteld.