ECLI:NL:GHAMS:2025:3303

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
200.341.493
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 6:201 lid 2 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling

In deze civiele zaak stond centraal of werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer rechtsgeldig buitengerechtelijk mocht vernietigen op grond van dwaling. Werkgever stelde dat werknemer bij het aangaan van de overeenkomst beschikte over informatie over zijn gezondheid die hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in zijn functie, en dat werknemer deze informatie had moeten melden.

Het hof stelde vast dat werknemer sinds april 2016 als monteur werkte en gedurende zijn dienstverband bij een vorige werkgever klachten had die nog niet tot een definitieve diagnose hadden geleid. Bij indiensttreding bij werkgever was werknemer fysiek in staat om zijn werkzaamheden uit te voeren en had hij een oogontsteking die aan werkgever was gemeld. Pas vanaf november 2022 werd werknemer volledig arbeidsongeschikt.

Het hof oordeelde dat werkgever onvoldoende had onderbouwd dat werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst over zodanige gezondheidsinformatie beschikte dat hij deze had moeten melden. De door werkgever overgelegde medische stukken en probleemanalyse waren onvoldoende om te concluderen dat werknemer wist of behoorde te weten dat zijn gezondheid hem langdurig zou belemmeren. Ook was sprake van schending van de privacy door het opvragen van medische informatie. De buitengerechtelijke vernietiging wegens dwaling slaagde daarom niet.

Daarnaast oordeelde het hof dat werkgever onterecht het loon had stopgezet en veroordeelde het tot betaling van een wettelijke verhoging van 50% over het achterstallig loon. Werkgever werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter voor het overige.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat werkgever de arbeidsovereenkomst niet buitengerechtelijk mocht vernietigen wegens dwaling en veroordeelt werkgever tot betaling van loon met 50% wettelijke verhoging.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.341.492/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10725650\CV EXPL 23-4315
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2025
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats 2] , gemeente Drechterland,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. M.C. Zaal te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 1] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellant,
advocaat: mr. M. Heimensem te Hoorn.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] rechtsgeldig op grond van dwaling buitengerechtelijk mocht vernietigen
.Het hof oordeelt dat [appellant] , op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] mededeling had behoren te doen aan [appellant] omdat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikte over informatie omtrent zijn gezondheid, op grond waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de functie van monteur. Het beroep op dwaling slaagt ook niet in hoger beroep. Het hof concludeert dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] niet buitengerechtelijk mocht vernietigen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 15 mei 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 maart 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met een productie;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel beroep, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel beroep; en
- akte uitlating producties in principaal beroep van de zijde van [appellant] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. Zaal voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Heimensem voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord. Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde] , geboren op [datum] , heeft van 28 april 2016 tot 29 of 30 januari 2022 gewerkt als (installatie)monteur bij [bedrijf 1] hierna: [bedrijf 1] ).
3.2.
[geïntimeerde] heeft zich tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 1] een aantal keer ziekgemeld wegens verschillende klachten. Daarnaast is [geïntimeerde] ten tijde van dit dienstverband in verband met klachten onderzocht door een reumatoloog die op dat moment geen duidelijke diagnose kon stellen. De reumatoloog heeft [geïntimeerde] doorverwezen naar een revalidatiearts die bij [geïntimeerde] een screening heeft uitgevoerd. Er is naar aanleiding van deze screening geen revalidatietraject opgestart.
3.3.
In een probleemanalyse van 13 december 2021 heeft de bedrijfsarts van [bedrijf 1] , [naam] (hierna: [naam] ) - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

Betrokkene lijkt een aandoening te hebben die belastingsafhankelijk in meer of mindere mate ( forse) klachten geeft. Betrokkene heeft reeds meerdere onderzoeken gehad alsook specialisten. Dit duurt nog voort, een definitieve diagnose is nog niet gesteld.
Of betrokkene nog terug kan keren in het huidige fysiek zware werk is hoogst twijfelachtig. Betrokkene zal in overleg treden met de wkg over de mogelijkheid van structureel lichter werk. (…)
Nu geen benutbare mogelijkheden, in de toekomst wel benutbare mogelijkheden
3.4.
[geïntimeerde] heeft zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] opgezegd tegen 1 februari 2022 en is van 1 februari 2022 tot 29 april 2022 als uitvoerder in dienst geweest bij de [groep] .
3.5.
[geïntimeerde] is vervolgens met ingang van 1 mei 2022 bij [appellant] als monteur werktuigbouwkundige installaties in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden. De arbeidsduur bedroeg 40 uur per week en het laatste verdiende salaris van [geïntimeerde] bedroeg € 3.273,17 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.
3.6.
[geïntimeerde] had ten tijde van zijn sollicitatie en indiensttreding bij [appellant] een oogontsteking. Dit was voor [appellant] kenbaar en [geïntimeerde] heeft [appellant] geïnformeerd dat hij hiervoor in juni 2022 ter controle naar het ziekenhuis moest.
3.7.
[geïntimeerde] heeft zich op 8 november 2022 ziekgemeld en is sindsdien volledig arbeidsongeschikt.
3.8.
In een verslag van 21 november 2022 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] een chronische aandoening heeft die regelmatig opvlamt en dat hij in een intensief diagnose- en behandeltraject zit dat nog moet worden afgerond.
3.9.
In een verslag van 19 december 2022 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] ondersteuning van verschillende behandelaars krijgt en dat een concrete oorzaak en gerichte behandeling voor zijn klachten nog niet te duiden is.
3.10.
In een verslag van 27 maart 2023 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] aanhoudende fysieke klachten heeft waardoor hij teveel beperkingen heeft om het eigen dan wel ander werk te verrichten en dat er geen benutbare mogelijkheden zijn. De bedrijfsarts heeft verder geadviseerd om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren.
3.11.
Bij brief van 25 april 2023 heeft (de gemachtigde van) [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling. [appellant] heeft in deze brief - voor zover van belang - het volgende geschreven:
“In de eerste 2 maanden van uw dienstverband heeft u naar behoren gefunctioneerd. Na de proeftijd in de maand juli 2022 moest cliënte bemerken dat uw functioneren steeds minder werd. In deze periode heeft cliënte, althans uw leidinggevende, verschillende informele gesprekken met u gehad aangezien cliënte niet begreep waarom uw functioneren ineens een stuk minder werd. (…)
Ook heeft u zich verschillende malen ziek moeten melden. Vanaf 8 november 2022 bent u zelfs volledig arbeidsongeschikt.
Eind november 2022 deelde de bedrijfsarts aan cliënte in haar terugkoppeling mede dat sprake was van een chronische aandoening en dat u een intensief diagnose- en behandeltraject volgde. (…) Eind december 2022 bereiken cliënte geruchten dat u al veel langer “last” zou hebben van uw chronische aandoening. (…)
Eind maart 2023 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat op basis van de medische stukken moest worden geconcludeerd dat u inderdaad al veel langer deze medische aandoening had en dat er sprake was van arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstbetrekking. Ook bleek uit de medische informatie dat u al eerder arbeidsongeschikt was vanwege de medische aandoening. Er is toen ook met u gesproken c.q. geadviseerd om uit te gaan kijken naar structureel lichter en minder fysiek werk, omdat de functie te zwaar fysiek werk inhield. (…)
Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat sprake was van arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstbetrekking en dat u ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst met cliënte over zodanige informatie beschikte met betrekking tot uw gezondheid dat u daarvan mededeling had moeten doen aan cliënte. Indien u cliënte voornoemde informatie kenbaar had gemaakt dan had cliënte nimmer de arbeidsovereenkomst met u gesloten. Er is derhalve sprake van dwaling (artikel 6:228 BW Pro) zijdens cliënte bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Op grond van het vorenstaande vernietigd cliënte dan ook de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk op grond van dwaling.
Het gevolg van bovenstaande vernietiging van de arbeidsovereenkomst is terugwerkende kracht tot het moment waarop de rechtshandeling heeft plaatsgevonden waarbij reeds verrichtte prestaties ongedaan gemaakt moeten worden omdat deze onverschuldigd zijn verricht. Vorenstaande betekent dat u in beginsel al het ontvangen salaris dient terug te betalen. Echter tot 8 november 2023 heeft u uw werkzaamheden min of meer uitgevoerd (overigens vanaf medio juli 2023 ondermaats, maar dat zal cliënte vooralsnog buiten beschouwing laten) en deze prestaties kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt. Cliënte zal dan ook (vooralsnog) geen aanspraak maken op het betaalde salaris over de periode van 1 mei 2023 tot 8 november 2023. Het betaalde loon over de periode 8 november 2023 tot heden (cliënte heeft salaris betaald tot en met april 2023) dient door u terugbetaald te worden. Het betreft hier een bedrag ad € 14.678,32 (netto). (…)”
3.12.
In een verslag van 8 mei 2023 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] vermoedelijk een chronische aandoening heeft waarvoor hij in een intensief diagnose- en behandeltraject zit, dat op dat moment nog niet is afgerond.
3.13.
Bij e-mail van 11 mei 2023 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] gereageerd op de brief van [appellant] van 25 april 2023. [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat het oordeel van de bedrijfsarts dat sprake is van een chronische aandoening onjuist is omdat er nog geen definitieve diagnose is gesteld, en dat dit in het recente verslag van de bedrijfsarts is aangepast. [geïntimeerde] heeft verder geschreven dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst dient te worden teruggedraaid en dat de conclusie dat er bij de sollicitatie informatie zou zijn achtergehouden veel te voorbarig is.
3.14.
Bij e-mail van 5 juni 2023 heeft [naam 2] , arbeids- en organisatiedeskundige (hierna: [naam 2] ), [geïntimeerde] - voor zover van belang - het volgende geschreven:

(…) Onze stafarts geeft aan dat van mening is dat je niet hebt verzwegen dat je een chronische ziekte zou hebben, zoals hij tijdens het consult heeft aangegeven zijn de klachten pas na het in dienst treden bij [appellant] dusdanig ernstig geworden dat je bent verwezen naar een academisch centrum om een duidelijke diagnose te krijgen. Voorlopig is het een vermoedde auto-immuun ziekte.
Wel is het zou dat je met regelmatig optredende klachten in 2020 al bent verwezen naar de reumatoloog. Deze kon toen geen duidelijke diagnose stellen. Ook ben je door hem doorverwezen naar een revalidatiearts die je wel heeft gescreend, maar geen revalidatietraject met je is ingegaan. De informatie van de arbodienst van je vorige werkgever is dat je een paar keer langdurig hebt moeten verzuimen met je klachten en in een probleemanalyse van de bedrijfsarts staat ook dat er gerede twijfel is of je nog wel geschikt bent voor zwaarder fysiek werk (…). Ik kan niet beoordelen of je dit wel of niet had moeten mededelen aan je nieuwe werkgever. Op het moment van indiensttreding was je klachtenvrij. (…)
3.15.
Bij brief van 6 juni 2023 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] de stellingen en verwijten van [appellant] uit haar brief van 25 april 2023 betwist en heeft hij bezwaar gemaakt tegen de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst.
3.16.
In reactie hierop heeft (de gemachtigde van) [appellant] bij brief van 9 juni 2023 laten weten dat zij haar stelling dat sprake is van dwaling die vernietiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, handhaaft.
3.17.
Bij brief van 27 juni 2023 heeft prof. [naam 3] , oogarts bij het [bedrijf 2] , in een brief - voor zover van belang - het volgende geschreven:

• Patiënt heeft een intermediaire uveitis in beide ogen. Dit is een auto-immuun-ontsteking en tot op heden is geen onderliggende oorzaak gevonden.
• Het betreft een chronische ontsteking die jarenlang actief kan zijn. Tot op heden is er een lichte visusdaling van het rechteroog door de ontsteking. Herstel is afhankelijk van de mate van ziekte activiteit en eventuele bijkomende complicaties.
• Ik heb geen andere informatie.
3.18.
Op 16 augustus 2023 is [geïntimeerde] gediagnostiseerd met sarcoïdose, een zeldzame aandoening waarbij ontstekingen in verschillende onderdelen van het lichaam kunnen optreden. [1]

4.Eerste aanleg

4.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg - samengevat - een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte buitengerechtelijk is vernietigd wegens dwaling, dat deze nog steeds voortduurt en dat hij daarom onverkort aanspraak heeft op loon. [geïntimeerde] heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat het loon ontvangen over de periode van 8 november 2022 tot en met 30 april 2023 kwalificeert als een vergoeding voor de verrichte arbeid ex artikel 6:201 lid 2 BW Pro, als gevolg waarvan de aangekondigde terugvordering hiervan niet rechtsgeldig is. [geïntimeerde] heeft verder gevorderd dat de kantonrechter [appellant] veroordeelt tot betaling van loon, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Tot slot heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van haar wettelijke re-integratieverplichtingen en wedertewerkstelling, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.2.
[appellant] heeft verweer gevoerd en in conventie - samengevat - geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] . In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 14.678,23 verminderd met het netto-equivalent van € 1.327,23 bruto. [appellant] heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is vernietigd op 25 april 2023.
4.3.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter - samengevat - overwogen dat onvoldoende is gebleken dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst over zodanige informatie over zijn gezondheid beschikte dat hij daarvan (vooraf) mededeling aan [appellant] had moeten doen. Uit niets is gebleken dat [geïntimeerde] daadwerkelijk wist dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat dit hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden. Hierbij speelt mee dat het gaat om een zeldzame aandoening en dat [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld dat hij niet eerder dan medio augustus 2023 voor sarcoïdose is behandeld. De kantonrechter heeft overwogen dan dit betekent dat [appellant] de arbeidsovereenkomst ten onrechte buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens dwaling en dat deze nog altijd voortduurt. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen onder matiging van de wettelijke verhoging tot 20% en de vorderingen van [appellant] afgewezen, en heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1.
[appellant] heeft in principaal beroep - samengevat - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en de vordering van [appellant] tot betaling van € 14.678,23, verminderd met het netto-equivalent van € 1.327,23 bruto, zal toewijzen. Ook heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen zij aan [geïntimeerde] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal beroep - samengevat - geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde in hoger beroep en - naar het hof het begrijpt - tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, behoudens ten aanzien van de hoogte van de wettelijke verhoging van 20%. [geïntimeerde] heeft in incidenteel beroep gevorderd om hem alsnog de in eerste aanleg gevorderde wettelijke verhoging van 50% toe te kennen, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] - naar het hof begrijpt - in de kosten van het geding in hoger beroep.
5.3.
[appellant] heeft in incidenteel beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidverklaring van [geïntimeerde] dan wel het incidenteel beroep te verwerpen of ongegrond te verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] komt in principaal beroep met
dertien grievenop tegen de beslissingen in het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
Buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling
6.2.
Met de g
rieven 1 tot en met 6 en 8 in principaal beroepbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] wegens dwaling niet rechtsgeldig is. Ter toelichting op deze grieven voert [appellant] het volgende aan. [geïntimeerde] was bij [bedrijf 1] in dezelfde functie werkzaam en heeft zich daar diverse keren voor langere perioden ziekgemeld wegens verschillende ziekteoorzaken. De oorzaak van deze klachten was niet bekend, maar zij hielden verband met ontstekingen. Hiervoor zat [geïntimeerde] in een langdurig onderzoeks- en diagnosetraject. [appellant] verwijst in dat verband op de door haar voor het eerst in hoger beroep overgelegde probleemanalyse van de bedrijfsarts van [bedrijf 1] van 13 december 2021, waaruit volgt dat [geïntimeerde] volledig arbeidsongeschikt is en er geen benutbare mogelijkheden bestaan op dat moment. In deze probleemanalyse heeft de bedrijfsarts erop gewezen dat de mogelijke aandoening belastingafhankelijk is en dat hoogst twijfelachtig is of [geïntimeerde] kan terugkeren in zijn huidige fysiek zware werk. [geïntimeerde] heeft vervolgens zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] opgezegd om per 1 februari 2022 in de fysiek lichtere functie van uitvoerder aan de slag te gaan bij de [groep] . Kort daarna heeft [geïntimeerde] bij [appellant] gesolliciteerd naar dezelfde en fysiek zwaardere functie van monteur, waarna hij per 1 mei 2022 in dienst is getreden. [geïntimeerde] is na zijn proeftijd minder gaan functioneren en daarover heeft [appellant] een aantal keer informeel met hem gesproken. Omdat [geïntimeerde] uiteindelijk vanaf 8 november 2022 arbeidsongeschikt raakte is een verbetertraject niet van de grond gekomen. [appellant] wijst verder nog op het verslag van de bedrijfsarts van [appellant] van 21 november 2022, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij vermoedelijk een chronische aandoening heeft die regelmatig opvlamt. Het voorgaande laat geen ruimte voor een ander oordeel dan dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst wist of behoorde te weten dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat dit hem ingrijpend en langdurig zou beperken in het uitvoeren van zijn werkzaamheden als monteur. [geïntimeerde] heeft dit ten onrechte niet medegedeeld aan [appellant] . [appellant] heeft daarom op juiste gronden de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling, aldus nog steeds [appellant] .
6.3.
De grieven 1 tot en met 6 en 8 in principaal beroep lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het gaat hierbij om de vraag of de buitengerechtelijke vernietiging door [appellant] van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] wegens dwaling rechtsgeldig is. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
6.4.
Het hof stelt voorop dat de mogelijkheid van buitengerechtelijke vernietiging op grond van dwaling in het arbeidsrecht niet is uitgesloten (HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213). [appellant] heeft zich bij de vernietiging van de arbeidsovereenkomst beroepen op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro. Dat artikel bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling vernietigbaar is indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. Het hof overweegt dat een werknemer aan een werkgever mededeling behoort te doen indien hij of zij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikt over informatie omtrent zijn of haar gezondheid, op grond waarvan hij of zij wist of behoorde te weten dat deze hem of haar ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden.
6.5.
De vraag die zich thans voordoet is of [geïntimeerde] ten tijde van zijn sollicitatie, althans ten tijde van zijn indiensttreding bij [appellant] op 1 mei 2022, wist of behoorde te weten dat zijn gezondheidstoestand zodanig was dat deze hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van zijn functie als monteur. [appellant] heeft haar stellingen onder meer onderbouwd met de probleemanalyse van de bedrijfsarts van [bedrijf 1] van 13 december 2021. Desgevraagd heeft [appellant] het hof medegedeeld dat zij de probleemanalyse van de bedrijfsarts van [bedrijf 1] bij laatstgenoemde heeft opgevraagd en verkregen. Het hof hecht eraan op te merken dat [appellant] daarmee de privacy van [geïntimeerde] heeft geschonden. Voor zover het hof deze probleemanalyse toelaat, staat daarin weliswaar dat [geïntimeerde] op dat moment arbeidsongeschikt was en ook dat hoogst twijfelachtig is of [geïntimeerde] kon terugkeren in zijn fysiek zware functie, maar het hof volgt [appellant] niet in haar betoog dat [geïntimeerde] op grond daarvan wist althans behoorde te weten dat zijn gezondheidstoestand hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van zijn functie als monteur bij [appellant] . [geïntimeerde] heeft betwist dat hij bekend is met de betreffende probleemanalyse en heeft ter zitting in hoger beroep (onweersproken) toegelicht dat hij geen fysiek consult heeft gehad bij [naam] , de betreffende bedrijfsarts. Het hof overweegt dat ook in het geval dat [geïntimeerde] wel bekend zou zijn met de betreffende probleemanalyse, daaruit niet zonder meer volgt dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst over zodanige informatie over zijn gezondheid beschikte dat hij hiervan mededeling had moeten doen aan [appellant] .
6.6.
Dit volgt evenmin uit de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] bij [bedrijf 1] herhaaldelijk en voor langere duur wegens dezelfde klachten als bij [appellant] zou zijn uitgevallen. Het hof overweegt daartoe dat deze stelling door [geïntimeerde] is betwist en dat hij in dit verband ter zitting in hoger beroep heeft toegelicht dat zijn ziekmeldingen bij [bedrijf 1] verband hielden met drie verschillende (niet gerelateerd aan de later gestelde diagnose) operaties, met elk een hersteltijd van zeven weken. Omdat [appellant] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat het hof hieraan voorbij.
6.7.
Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] naar aanleiding van de probleemanalyse van de bedrijfsarts van [bedrijf 1] van 13 december 2021 zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] heeft opgezegd om fysiek lichtere werkzaamheden te verrichten. [geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat hij zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] heeft opgezegd omdat hij niet meer wilde samenwerken met zijn vader, eveneens werkzaam bij [bedrijf 1] , en niet vanwege het advies van de bedrijfsarts, zoals door [appellant] is gesteld. [geïntimeerde] is vervolgens arbeidsgeschikt in dienst getreden bij de [groep] . [geïntimeerde] heeft gemotiveerd gesteld en onderbouwd met getuigenverklaringen van [naam 4] en [naam 5] dat hij bij de [groep] fysiek zware werkzaamheden als timmerman heeft verricht. Daarnaast is door [geïntimeerde] verder ter zitting in hoger beroep toegelicht dat hij het werk bij de [groep] niet leuk vond en dat hij vervolgens na een relatief kort dienstverband op verzoek van [appellant] bij haar in dienst is getreden. Vaststaat dat [geïntimeerde] bij [appellant] tot aan zijn ziekmelding van 8 november 2022 fysiek zware werkzaamheden heeft verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] tijdens zijn proeftijd (van 1 mei 2022 tot 1 juli 2022) goed heeft gefunctioneerd. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] na zijn proeftijd minder is gaan functioneren is door haar niet nader onderbouwd en door [geïntimeerde] weersproken, zodat het hof hieraan voorbij gaat.
6.8.
Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] na de betreffende probleemanalyse van 13 december 2021 voor een periode van ruim negen maanden, eerst tijdens zijn dienstverband bij de [groep] en vervolgens bij [appellant] , fysiek zware werkzaamheden heeft kunnen verrichten zonder dat is gebleken dat zijn gezondheid hierbij problemen heeft gegeven.
6.9.
De stelling van [appellant] dat uit het verslag van de bedrijfsarts van [appellant] van 21 november 2022 blijkt dat [geïntimeerde] zelf heeft aangegeven dat hij een chronische aandoening heeft, volgt het hof niet. Dat staat namelijk niet in dat verslag: kennelijk is het bedoeld als een diagnose die echter niet is onderbouwd. [geïntimeerde] betwist op goede grond dat die diagnose toen al door zijn behandelend artsen was gesteld. In het bericht van de oogarts van 27 juni 2023 staat immers dat een onderliggende oorzaak van de oogontsteking (nog) niet is gevonden. Op grond van de stukken en hetgeen besproken is ter zitting in hoger beroep wordt ervan uitgegaan dat de diagnose van de zeldzame en chronische aandoening sarcoïdose pas op 16 augustus 2023 is gesteld.
6.10.
Voorts is, anders dan [appellant] heeft gesteld, niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] bij het aangaan van zijn arbeidsovereenkomst met, althans bij zijn indiensttreding bij, [appellant] in een langdurig onderzoekstraject zat waarover hij mededeling had moeten doen. [geïntimeerde] heeft, onder meer onder verwijzing naar de e-mail van [naam 2] van 5 juni 2023, toegelicht dat hij tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 1] is onderzocht door een reumatoloog en revalidatiearts die geen diagnose konden stellen respectievelijk geen revalidatietraject hebben gestart. Het hof volgt [appellant] dan ook niet in haar betoog dat sprake was van een langdurig diagnose- en onderzoekstraject waarover [geïntimeerde] mededeling aan [appellant] had moeten doen, omdat hij wist of had moeten begrijpen dat zijn gezondheidstoestand hem ingrijpend en langdurig zouden belemmeren in de uitoefening van de functie van monteur.
6.11.
Het hof merkt op dat wel vaststaat dat [geïntimeerde] rondom en na zijn indiensttreding bij [appellant] is onderzocht door een oogarts vanwege een oogontsteking. Hieruit volgt echter niet dat [geïntimeerde] wist of behoorde te weten dat deze oogontsteking hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Bovendien was [appellant] van meet af aan van de oogontsteking op te hoogte.
6.12.
Tegen de achtergrond van het voorgaande oordeelt het hof dat [appellant] , op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] mededeling had behoren te doen aan [appellant] omdat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikte over informatie omtrent zijn gezondheid, op grond waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de functie van monteur. Het beroep op dwaling slaagt dus ook niet in hoger beroep. Het hof concludeert dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] niet buitengerechtelijk mocht vernietigen. Dat betekent dat de grieven 1 tot en met 6 en 8 in principaal beroep niet slagen.
Opzegverbod tijdens ziekte
6.13.
Met
grief 7 in principaal beroepkomt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter ten overvloede dat, nu [geïntimeerde] zich reeds voor het moment van de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst door [appellant] had ziekgemeld in verband met zijn klachten, hij op het moment van vernietiging ontslagbescherming bij ziekte genoot. Nu het hof oordeelt dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] niet buitengerechtelijk mocht vernietigen kan een inhoudelijke bespreking van deze grief achterwege blijven.
Veeggrieven
6.14.
De
grieven 9, 11 en 13 in principaal beroepgaan ervan uit dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd. Dat is niet het geval, zodat een inhoudelijke bespreking van deze grieven achterwege kan blijven.
Wettelijke verhoging en incidenteel hoger beroep
6.15.
Met
grief 10 in principaal beroepbestrijdt [appellant] , ten slotte, nog dat de kantonrechter ten onrechte de wettelijke verhoging van 20% heeft toegewezen, terwijl [geïntimeerde] met zijn (ongenummerde)
grief in incidenteel beroepbetoogt dat de kantonrechter ten onrechte tot matiging van de wettelijke verhoging is overgegaan en dat aanleiding bestaat om [appellant] te veroordelen tot betaling van de volle 50% wettelijke verhoging.
6.16.
Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Nu het beroep van [appellant] op haar buitengerechtelijke vernietigingsverklaring faalt - en de arbeidsovereenkomst dus is blijven bestaan - heeft [appellant] ten onrechte het loon niet doorbetaald. Van een situatie waarin de vertraging in de loonbetaling niet of slechts in beperkte mate aan [appellant] is toe te rekenen is geen sprake. Het hof acht geen gronden aanwezig om de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris over mei tot en met augustus 2023 op een lager percentage te bepalen, en dus te matigen, ten opzichte van het krachtens artikel 7:625 BW Pro te berekenen percentage van 50%. Om die reden zal het hof [appellant] veroordelen tot betaling van 50% aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het door de kantonrechter toegekende achterstallig salaris over de maanden mei tot en met augustus 2023.
6.17.
Het voorgaande betekent dat grief 10 in principaal beroep faalt en de grief in het incidenteel slaagt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.18.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt ook
grief 12 in principaal beroepniet, waarmee [appellant] opkomt tegen de door de kantonrechter uitgesproken kostenveroordeling. Immers, [appellant] wordt ook in hoger beroep in het ongelijk gesteld.
6.19.
De conclusie is dat alle grieven in principaal beroep falen. De grief in incidenteel beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal gedeeltelijk worden vernietigd, zoals hierna vermeld. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep. [appellant] heeft geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbieding daarom wordt gepasseerd.

7.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel beroep:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het toegekende achterstallig salaris over mei tot en met augustus 2023 op 20% is bepaald;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling van 50% aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het toegekende achterstallig salaris over mei tot en met augustus 2023;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 349,00 aan verschotten en € 2.428,00 aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.214,00 aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, A.S. Arnold en K.G.F. van der Kraats en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.

Voetnoten

1.Zie