De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor sociale zekerheidsfraude door langdurig het niet tijdig verstrekken van benodigde gegevens aan de gemeente en uitkeringsinstantie. Hij meldde niet dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte en beschikte over vermogen, waardoor de instanties geen juiste beoordeling konden maken van zijn recht op bijstand.
De werkzaamheden betroffen handel in caravans, campers, renovatiewerkzaamheden en handel in auto’s en oud ijzer, waaruit inkomsten werden genoten. Daarnaast bouwde de verdachte vermogen op via kasstortingen op bankrekeningen. Door deze feiten te verzwijgen, schond hij het vertrouwen in het sociale zekerheidsstelsel en bracht financieel en moreel schade toe.
Hoewel de verdachte erkende dat zijn handelen fout was, toonde hij geen inzicht in de ernst ervan en bagatelliseerde hij zijn activiteiten. Het hof verwierp het betoog dat de korte duur van de werkzaamheden strafverminderend zou moeten werken, mede vanwege het opgebouwde vermogen.
De redelijke termijn was in eerste aanleg met ruim een jaar overschreden, hetgeen het hof meewoog bij de strafoplegging. Het hof legde een taakstraf van 180 uren op, subsidiair 90 dagen hechtenis, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar. Het vonnis van de politierechter werd in zoverre vernietigd en herzien.