ECLI:NL:GHAMS:2025:3364

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
200.358.180/01 SKG
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 6:258 BWArt. 2.1 WaboArt. 2.2 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over medewerking verkoop woning na niet-naleving financieringsafspraak

Partijen, die een geregistreerd partnerschap hadden en gezamenlijk eigenaar waren van een woning, maakten afspraken over de verkoop en overname van die woning in een eerder kort geding. De vrouw diende uiterlijk 15 april 2025 te beschikken over een bindende financieringstoezegging gebaseerd op een gevalideerde taxatie van de woning. De vrouw slaagde er niet in tijdig een gevalideerd taxatierapport te overleggen en daarmee een bindende financiering te verkrijgen.

De man vorderde daarop dat de vrouw meewerkt aan verkoop van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter wees de vorderingen af wegens onduidelijkheid over de waarde van de woning. In hoger beroep oordeelt het hof dat de vrouw niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, onder meer omdat zij te laat een taxatierapport overhandigde en onvoldoende initiatief nam voor een derde taxatie bij grote waardeverschillen.

Het hof bepaalt dat de woning aan een derde verkocht mag worden, waarbij de vrouw verplicht is medewerking te verlenen aan verkoop en levering. De verkoopopbrengst zal na aflossing van de hypotheek en kosten in depot worden gehouden in afwachting van de bodemprocedure. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw moet medewerking verlenen aan verkoop van de woning aan een derde, omdat zij niet tijdig een bindende financieringstoezegging op basis van een gevalideerde taxatie heeft overlegd.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.358.180/01 SKG
zaaknummer rechtbank : C/15/365285 / KG ZA 25-285
arrest van de meervoudige familiekamer van 9 december 2025
inzake
[de vrouw],
wonende te [plaats A] ,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.I. Dierkx, te Amsterdam,
tegen
[de man],
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,
hierna te noemen: de man
advocaat: mr. A. Krim, te Haarlem.

1.1. De zaak in het kort

1.1
Deze zaak betreft een vordering van de man in kort geding tot medewerking van de vrouw aan verkoop van de woning van partijen aan een derde. De man stelt in dit verband dat de vrouw niet heeft voldaan aan een tijdens een eerder kort geding gemaakte afspraak, waarbij de woning op een bepaalde wijze zou worden getaxeerd en de vrouw uiterlijk op 15 april 2025 diende te beschikken over een bindende financieringstoezegging voor overname van de woning. De vrouw vordert in reconventie toedeling van de woning aan haar, waarbij zij stelt dat zij aan de op haar rustende verplichtingen heeft voldaan. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen over en weer afgewezen. Beide partijen zijn van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat de vrouw zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden, zodat de woning aan een derde kan worden verkocht. Het hof legt hierna uit waarom het tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vrouw is bij dagvaarding van 5 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 9 juli 2025, hierna te noemen: het bestreden vonnis, in kort geding gewezen tussen de man als eiser in conventie en gedaagde in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven.
2.2
De man heeft daarna een memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties, ingediend.
2.3
De vrouw heeft vervolgens een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties, ingediend.
2.4
Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 oktober 2025 doen bepleiten door hun advocaten, aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling tevens producties (29 tot en met 39) in het geding gebracht alsmede een akte houdende (voorwaardelijke) vermeerdering van eis met producties, ingekomen bij het hof op 24 september 2025. De man heeft tegen de eiswijziging bij akte van 16 oktober 2025, ingekomen bij het hof op 2 oktober 2025, bezwaar gemaakt. Ter zitting heeft het hof geoordeeld dat de akte van de vrouw ter zake de vermeerdering van eis buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze strijd oplevert met de twee-conclusie-regel.
2.5
Ten slotte is arrest gevraagd.
2.6
De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. zal bepalen dat de vrouw gerechtigd is de woning te ( [postcode] ) [plaats B] , aan de [A-straat] (hierna: de woning), over te nemen uiterlijk 1 november 2025, althans een door het hof in goede justitie te bepalen leveringsdatum, tegen een door het hof in goede justitie te bepalen waarde;
II. zal bepalen dat voor de daartoe benodigde financiering van € 500.000,- een gevalideerd taxatierapport moet worden aangeleverd, uiterlijk 31 augustus 2025, waarbij de woning opnieuw wordt getaxeerd door taxateur [naam 1] van Team Makelaars te Amsterdam, dan wel Voordewind Taxaties te Amsterdam en dit advies tussen partijen bindend is;
III. zal bepalen dat de overdracht van de woning aan de vrouw zal geschieden bij de notaris [naam 2] te Hoofddorp onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat, voorafgaande aan de levering aan de vrouw, een bouwkundige inspectie zal worden uitgevoerd door een onafhankelijk bouwkundig inspecteur, uiterlijk 14 dagen voor het notarieel transport, waaraan de man onverminderd zijn volledige medewerking aan zal verlenen;
IV. de man zal veroordelen om binnen vier weken na dit arrest, althans binnen een door het hof te bepalen termijn, volledige medewerking te verlenen aan de overdracht en/of wijziging van alle vergunningen, toestemmingen en documenten op naam van de man, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de (bouw)werkzaamheden aan de woning, alsmede voor het onbelemmerde juridische en feitelijke gebruik daarvan door de vrouw, waaronder (niet uitsluitend): de bouwvergunning, omgevingsvergunningen ex artikel 2.1 en 2.2. Wabo, inschrijvingen en toestemmingen bij nutsbedrijven en gemeente, overige documenten die samenhangen met het eigendom of gebruik van de woning;
V. zal bepalen dat indien de man in gebreke blijft binnen de gestelde termijn uitvoering te geven aan voornoemde verplichtingen, dit arrest in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring van de man, conform artikel 3:300 BW Pro;
subsidiair, indien het hof de vorderingen onder II en III afwijst:
VI. zal bepalen dat taxateur [naam 1] van VK makelaars dan wel Voordewind Taxaties te Amsterdam als derde onafhankelijke taxateur zal worden benoemd, die binnen 4 weken na dit arrest de woning opnieuw zal taxeren, tegen welke waarde de vrouw de woning uiterlijk 1 november 2025 kan overnemen, althans een door het hof te benoemen taxateur en vast te stellen termijn;
in conventie en reconventie eerste aanleg en in principaal hoger beroep:
VII. de man zal veroordelen tot volledige vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, met bepaling dat als deze kosten niet binnen 7 dagen na dagtekening van dit arrest zijn voldaan, daarover vanaf de 8e dag wettelijke rente verschuldigd is.
2.7
De man heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. In incidenteel hoger beroep heeft de man geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. zal bepalen dat de vrouw op eerste verzoek van de man haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, in dier voege dat de vrouw op eerste verzoek van de man een opdracht tot bemiddeling bij verkoop zal tekenen met makelaarskantoor [X] Makelaars of een andere in te schakelen makelaar indien deze makelaar de minimale verkoopprijs niet haalbaar acht, in welke opdracht door de aan te wijzen makelaar een minimale vraagprijs zal worden bepaald, welke vraagprijs de te benoemen makelaar bij zijn verkoopinspanningen naar derden toe zal hanteren, dit onder de voorwaarde dat een minimale verkoopprijs van € 1.030.332,-- wordt gehanteerd en waarbij weigering van de vrouw om op eerste verzoek van de man de opdracht van bemiddeling van de makelaar te tekenen dit arrest daarvoor in de plaats zal treden; althans met toevoeging van de voorwaarde(n) die het Hof in goede justitie meent aan de gevraagde beslissing ex artikel 3:300 BW Pro te moeten verbinden;
II. zal bepalen dat de man voor maximaal € 1.000,- aan verbeteringen aan de woning mag treffen, welke vastgesteld worden in overleg met de makelaar, teneinde de verkoopbaarheid van het huis te verbeteren althans een beslissing neemt zoals het hof rechtens juist acht;
III. zal bepalen dat de vrouw, nadat de makelaar een koper voor de woning heeft gevonden die zich er aan heeft verbonden een prijs te betalen waarvan de makelaar stelt dat dit een optimale verkoopprijs is bij een verkoop van de woning binnen afzienbare termijn, en binnen 48 uur nadat een daartoe door de makelaar opgestelde koopovereenkomst met betrekking tot de verkoop van de woning aan de vrouw is voorgelegd, deze dient te ondertekenen en vervolgens de benodigde notariële akte van levering dient te ondertekenen op het tijdstip dat de notaris daarvoor aanwijst, alsmede zal bepalen dat, indien de vrouw in gebreke blijft de koopovereenkomst en de notariële akte van levering te ondertekenen, dit arrest in de plaats treedt van de benodigde wilsverklaring, medewerking en ondertekening van de vrouw; althans met toevoeging van de voorwaarde(n) die het hof in goede justitie meent aan de gevraagde beslissing ex artikel 3:300 BW Pro te moeten verbinden;
IV. zal bepalen dat na levering van de woning de overwaarde, hetgeen wil zeggen de verkoopopbrengst van de woning minus de daarop rustende hypothecaire geldlening minus de nominale vergoedingsrechten van partijen en na betaling van alle aan de verkoop verbonden kosten, door de notaris op zijn/haar derdenrekening wordt vastgehouden of op de derdenrekening van een van de advocaten van partijen wordt gestort in afwachting van de uitkomst in de bodemprocedure althans dat het hof een beslissing neemt die het hof rechtens juist acht;
V. de vrouw zal veroordelen in de door de man betaalde proceskosten, zijnde griffiekosten, de advocaatkosten alsmede de kosten van de deurwaarder, zijnde een bedrag van € 4.088,84, welk bedrag de vrouw binnen 5 dagen na dit arrest aan de man dient te betalen;
subsidiair
VI. zal bepalen dat de vrouw binnen 4 weken na dit arrest aan de man een bindend financieringsvoorstel dient te overleggen van tenminste € 530.332,-, zodat zij het huis kan overnemen en zij aan de man zijn vordering betaalt ad € 52.122,75, te vermeerderen met een bedrag van de aflossing voor elke maand dat de man de aflossing heeft betaald tot het moment dat de woning aan de vrouw is geleverd, welk bedrag zichtbaar zal zijn in de nota van afrekening van de notaris, waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure;
VII. zal bepalen dat de vrouw, teneinde de hypotheek te kunnen verkrijgen, haar taxatie dient in te trekken en de taxatie van de man de taxatie zal zijn waarop de vrouw de herfinanciering hypotheek aanvraagt;
VIII. zal bepalen dat de vrouw uiterlijk een week nadat zij een bindend financieringsvoorstel van een Nederlandse geldverstrekker heeft ontvangen een bankgarantie overlegt bij de notaris van haar keuze ter grootte van € 25.000,--, bij gebreke waarvan de woning te koop mag worden aangeboden en geleverd zoals door de man primair is verzocht, waarbij bij de weigering van de vrouw dit arrest voor haar medewerking in de plaats zal treden zowel bij de verkoophandelingen als bij de leveringshandelingen; althans met toevoeging van de voorwaarde(n) die het hof in goede justitie meent aan de gevraagde beslissing ex artikel 3:300 BW Pro te moeten verbinden;
IX. zal bepalen dat het transport van de woning uiterlijk 5 maanden na dit arrest zal plaatsvinden, tenzij de man en de vrouw anders schriftelijk overeenkomen; althans met toevoeging van de voorwaarde(n) die het hof in goede justitie meent aan de gevraagde beslissing ex artikel 3:300 BW Pro te moeten verbinden;
X. zal bepalen dat bij levering van de woning aan de vrouw alsdan na aftrek van de verkoopkosten en inlossing van de hypotheek het vergoedingsrecht van de man zoals vastgesteld door de notaris wordt uitgekeerd op rekening [rekeningnummer] ;
XI. zal bepalen dat indien sprake is van een overwaarde deze in depot bij de notaris wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure althans een beslissing zal nemen die het hof rechtens juist acht;
XII. zal bepalen dat indien de vrouw er niet in slaagt om op de dag van het transport van de woning aan haar deze doorgang te laten vinden, de woning alsnog verkocht mag worden zoals primair is gevorderd, hetgeen betekent dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het tekenen van de opdracht tot bemiddeling van de makelaar, het tekenen van de verkoopcontract met de koper en haar medewerking dient te verlenen aan de leveringshandelingen bij de notaris, bij gebreke waarvan dit arrest hiervoor in de plaats treedt en de man de bankgarantie van € 25.000,-- uitgekeerd krijgt; althans met toevoeging van de voorwaarde(n) die het hof in goede justitie meent aan de gevraagde beslissing ex artikel 3:300 BW Pro te moeten verbinden;
XIII. zal bepalen dat de vrouw medewerking dient te verschaffen aan het leveren van de documentatie die noodzakelijk is voor de man zodat hij een nieuwe hypotheek- en overbruggingsfinanciering kan verkrijgen bij een Nederlandse geldverstrekker;
XIV. zal bepalen dat indien de vrouw niet binnen 5 werkdagen na het verzoek van de man de gevraagde informatie (primair informatie waaruit blijkt dat de man hoofdelijk ontslagen zal worden uit de Triodoshypotheek) zonder doorhalingen en verwijdering van data aanlevert aan de man, de man conform de primaire eisen de woning alsnog in de markt mag aanbieden; althans met toevoeging van de voorwaarde(n) die het hof in goede justitie meent aan de gevraagde beslissing ex artikel 3:300 BW Pro te moeten verbinden;
en, bij wijze van voorwaardelijke vermeerdering van eis:
XV. zal bepalen dat, indien de taxatiewaarde van de woning lager is dan € 1.030.331,-, de man de woning toegedeeld krijgt, waarbij de man de vrouw zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
en, bij wijze van vermeerdering van eis:
XVI. zal bepalen dat de man bij toewijzing van het huis aan de vrouw, 5 maanden de tijd krijgt om vervangende woonruimte te zoeken.

3.Feiten en procesverloop

3.1
Het hof gaat uit van de feiten die de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld, nu deze tussen partijen niet in geschil zijn. Deze feiten zijn, hier en daar aangevuld, de volgende.
3.2
Partijen zijn op 17 oktober 2022 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan, waarbij zij partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt.
3.3
De man woont sinds 1 april 2023 in de woning, die partijen gezamenlijk in eigendom toebehoort. De vrouw woont in [plaats A] .
3.4
De man heeft op 25 november 2024 een verzoekschrift ingediend om het geregistreerd partnerschap te laten ontbinden. Daarnaast heeft de man de vrouw eind 2024 gedagvaard in kort geding, teneinde tot verkoop van de woning te komen. Nadat de vrouw tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter op 13 december 2024 kenbaar had gemaakt zijn aandeel in de woning te willen overnemen, hebben partijen een schikking getroffen. Daarbij zijn, voor zover hier van belang, de volgende afspraken gemaakt, vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting:
“2. De vrouw zegt toe dat zij zo spoedig mogelijk bij een Nederlandse geldverstrekker een traject in gang gaat zetten dat is gericht op het verkrijgen van een bindende financieringstoezegging voor overname van de woning aan de [A-straat] in [plaats B] (hierna: de woning). Indien de vrouw niet uiterlijk op 15 april 2025 een bindende financieringstoezegging heeft van een Nederlandse geldverstrekker zullen partijen de woning verkopen en zullen zij daartoe opdracht geven aan [X] Makelaars.
3. De waarde van de woning zal als volgt worden vastgesteld:
De man en de vrouw zullen ieder een onafhankelijk taxateur inschakelen die een taxatie van de marktwaarde van de woning doet. De taxatie door de door de man in te schakelen taxateur zal plaatsvinden buiten aanwezigheid van de vrouw. De taxatie door de door de vrouw in te schakelen taxateur zal plaatsvinden buiten aanwezigheid van de man en diens partner. Partijen zullen over en weer de benodigde medewerking verlenen aan deze taxaties. Indien het verschil tussen deze taxaties kleiner of gelijk is aan € 50.000,- stellen partijen vast dat de waarde van de woning, waartegen de vrouw de woning kan overnemen het gemiddelde van de twee taxaties bedraagt. Indien het verschil tussen deze taxaties groter is dan € 50.000,- zullen partijen een derde onafhankelijke taxateur een taxatie laten uitvoeren in aanwezigheid van de advocaten van partijen. Deze derde onafhankelijke taxateur zal op verzoek van partijen worden aangewezen door de door hen ingeschakelde taxateurs.
4. Tot de overdracht van de woning aan de vrouw of een derde, heeft de man het gebruiksrecht van de woning en betaalt hij de hypotheeklasten (aflossingen en rente). Dit heeft geen invloed op de nog te maken afspraken of door een rechtbank te nemen beslissingen over vergoedingen en kosten huishouding.
5. Over de hypotheekrente spreken partijen het volgende af: partijen trekken de hypotheekrente over 2024 en eventuele volgende jaren ieder voor 50% af in hun aangifte inkomstenbelasting. Aangezien de man de hypotheekrente geheel betaalt, zal de vrouw het door haar ten gevolge van deze hypotheekrenteaftrek verkregen belastingvoordeel betalen aan de man.”
3.5
De man heeft op 21 maart 2025 een taxatie laten uitvoeren. De waarde van de woning is daarbij vastgesteld op € 1.100.000,-. Op 3 april 2025 is de taxatie gevalideerd door het NWWI.
3.6
Op 8 april 2025 heeft de vrouw een taxatie laten uitvoeren. Op 14 april 2025 heeft de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man bericht dat de geschatte door de taxateur getaxeerde marktwaarde van de woning € 900.000,- bedroeg en dat het wachten nog was op het definitieve rapport. Bij e-mail van 15 april 2025 heeft de advocaat van de vrouw de advocaat van de man vervolgens laten weten dat de vrouw inmiddels een bindende financieringstoezegging had gekregen om de woning te kunnen overnemen.
3.7
Op 25 april 2025 heeft de man telefonisch bericht van zijn taxateur ontvangen dat zijn rapport was ingetrokken door het NWWI, omdat een rapport was ontvangen, waarbij het waardeverschil dusdanig groot was dat beide rapporten moesten worden ingetrokken. Bij e-mail van 19 mei 2025 heeft het NWWI aan de taxateur van de vrouw bericht beide rapporten niet te valideren.
3.8
Op 27 mei 2025 heeft de man de vrouw wederom gedagvaard in kort geding en – samengevat - gevorderd primair dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde, en subsidiair dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de door de man gestelde voorwaarden. Daarnaast heeft de man op grond van de op 13 december 2024 gemaakte afspraken betaling van de door de vrouw ontvangen renteteruggave ter zake de door man betaalde hypotheekrente over 2024 en 2025 gevorderd. De vrouw heeft in reconventie – kort gezegd - gevorderd te bepalen dat zij gerechtigd is de woning over te nemen. Deze procedure heeft geleid tot het bestreden vonnis.

4.Beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van beide partijen met betrekking tot de verkoop en toedeling van de woning afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat de vorderingen van de man zijn gebaseerd op de stelling dat de vrouw niet heeft voldaan aan de afspraken, die partijen hebben vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van 13 december 2024, en de voorzieningenrechter zonder nader onderzoek niet kan vaststellen of de vrouw wel of niet heeft voldaan aan deze afspraken. Daarvoor moet eerst komen vast te staan wat de werkelijke waarde van de woning is, hetgeen niet mogelijk is nu geen van beide partijen een gevalideerd taxatierapport in het geding heeft gebracht en voor een nieuwe taxatie in kort geding geen plaats is. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de man met betrekking tot de door de vrouw aan de man te betalen renteteruggave toegewezen.
4.2
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen beide partijen op, ieder onder aanvoering van vijf grieven.
Spoedeisend belang
4.3
Voor zover de vrouw zich in de inleiding van haar appeldagvaarding alsmede in grief 1 beroept op het spoedeisend belang van haar vordering, gaat het daarbij niet – zo begrijpt het hof haar stellingen – om de vraag of de vrouw een voldoende spoedeisend belang heeft om te kunnen worden ontvangen in haar vordering zoals bedoeld in artikel 254 Rv Pro. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis immers geoordeeld dat beide partijen voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben en deze vorderingen vervolgens inhoudelijk besproken. Met haar stellingen omtrent het spoedeisend belang wenst de vrouw kennelijk te onderbouwen dat de voorzieningenrechter in het kader van de te maken belangenafweging in deze zaak tot toewijzing van haar vordering had moeten komen. Het hof zal de gestelde belangen van de vrouw in het navolgende bespreken.
Grieven 1 t/m 3 van de vrouw en grieven 1 t/m 3 van de man
4.4
De grieven 1 tot en met 3 van de vrouw komen in de kern erop neer dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de vrouw heeft voldaan aan de afspraken uit het proces-verbaal van 13 december 2024. De grieven 1 tot en met 3 van de man vormen het spiegelbeeld hiervan; de man is juist van mening dat de voorzieningenrechter had moeten oordelen dat de vrouw niet heeft voldaan aan de gemaakte afspraken.
4.5
Ter onderbouwing van haar grieven heeft de vrouw – samengevat – het volgende aangevoerd. De vrouw heeft tijdig en volledig voldaan aan de op haar rustende verplichtingen, zoals opgenomen in het proces-verbaal van 13 december 2024. Zo heeft de advocaat van de vrouw de advocaat van de man per e-mails van 14 april en 15 april 2025 onder meer bevestigd dat zij erin is geslaagd om de woning te laten taxeren tegen een waarde van € 900.000,- en dat zij de woning tegen deze waarde kan overnemen. Op 11 april 2025 had zij al een bindende financieringstoezegging voor overname van de woning gekregen. De man is pas op 15 april 2025 op uitdrukkelijk verzoek van de vrouw met een taxatierapport over de brug gekomen, waaruit een waarde van € 1.100.000,- bleek. Toen de vrouw duidelijk werd dat het verschil tussen haar taxatie en die van de man meer dan € 50.000,- was, heeft de vrouw op voortvarende wijze aan de derde taxatie willen meewerken. De man heeft dit proces getraineerd door willens en wetens een afwachtende houding aan te nemen, waarmee de man niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De voorzieningenrechter heeft het risico van deze vertraging voor rekening de vrouw laten komen door te overwegen dat, indien mocht blijken dat haar taxatie te ver afwijkt van de werkelijke waarde, de vrouw niet tijdig een bindende financieringstoezegging heeft gekregen. Als de taxatiewaarde niet bindend tot stand kan komen door vertraging en/of procedurele onduidelijkheden of gebrek aan samenwerking, kan van de vrouw niet verwacht worden dat in die context een volledige financieringstoezegging overgelegd wordt. Er is sprake van onvoorziene omstandigheden ex art. 6:258 BW Pro. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij een groot belang heeft bij toedeling van de woning aan haar omdat zij met haar huidige partner heeft afgesproken een nieuw huis te bouwen op de plek van de oude woning, waar zij met elkaar willen gaan wonen, samen met het kind van de vrouw en de kinderen van haar partner. De vrouw en haar partner hebben hiertoe ook al de nodige stappen gezet, waaronder het te koop zetten van het huis van de partner van de vrouw alsmede het wijzigen van de school van de kinderen. De vrouw wenst dan ook dat er alsnog met spoed een taxatie wordt verricht waarna zij de woning aan zich kan laten toedelen, omdat dit in haar belang is en in het belang van de bij de kwestie betrokken kinderen.
4.6
De man heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. De vrouw had uiterlijk op 15 april 2025 een bindende financieringstoezegging moeten aanleveren. Hiervoor was nodig dat de waarde van de woning kwam vast te staan, waarna de vrouw een financiering had kunnen zoeken. Zij heeft hieraan niet voldaan, omdat zij uitsluitend heeft aangetoond dat zij een financiering kan krijgen van € 500.000,-; daarmee is niet gezegd dat zij de daadwerkelijke waarde van de woning ook kan financieren. De vrouw heeft bovendien pas na 15 april 2025 haar taxatierapport aangeleverd. Toen beide taxaties op tafel lagen en bleek dat daartussen meer dan € 50.000,- verschil zat, had de vrouw het initiatief moeten nemen tot een derde taxatie; zij heeft daarmee gewacht tot het tweede kort geding tussen partijen. De vrouw is dan ook nalatig geweest in de nakoming van de gemaakte afspraken. De man vordert op basis van de gemaakte afspraken de medewerking van de vrouw om de woning te verkopen en leveren aan een derde.
4.7
Het hof overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 december 2024 valt af te leiden dat partijen de vrouw op dat moment alsnog in staat hebben willen stellen de woning over te nemen. Daartoe is afgesproken dat de vrouw uiterlijk op 15 april 2025 een bindende financieringstoezegging voor overname van de woning zou overleggen aan de man. Ondanks dat in onderdeel 3 van het proces-verbaal geen (uiterste) datum is genoemd voor het laten taxeren van de woning, leidt het hof uit de samenhang tussen onderdeel 2 en 3 af dat ook de waardebepaling uiterlijk 15 april 2025 afgewikkeld had moeten zijn. Het ligt immers voor de hand dat de hoogte van de benodigde financiering voor overname van een woning afhankelijk is van de waarde van die woning. Anders gezegd, eerst diende de waarde van de woning vast te komen staan, waarna duidelijk was welk deel van de overnamesom door de vrouw gefinancierd diende te worden, al dan niet met een lening. Dat ook de vrouw hiervan uitgaat, blijkt wel uit haar opmerking in de dagvaarding in hoger beroep, waarin zij schrijft dat een bindende financieringstoezegging niet losstaat van een gevalideerde taxatie:
“het een kan niet zonder het ander, een hypotheek kan pas worden afgesloten als je een gevalideerd taxatierapport in handen hebt”. Vast staat dat de vrouw op 15 april 2025 nog niet beschikte over een gevalideerd taxatierapport met betrekking tot de waarde van de woning. Integendeel, uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de vrouw eerst op 11 maart 2025 aan de man heeft gevraagd toegang tot de woning te kunnen krijgen in verband met de door haar uit te voeren taxatie. De taxatie van de zijde van de vrouw heeft uiteindelijk op 8 april 2025 plaatsgevonden. Vervolgens heeft de advocaat van de vrouw, zoals uit de door de vrouw als productie 4 in eerste aanleg overgelegde e-mail van de advocaat van de vrouw van 14 april 2025 valt af te leiden, op laatstgenoemde datum slechts doorgegeven dat de taxateur de waarde van de woning voorlopig schatte op een bedrag van € 900.000,-, dat de taxateur had laten weten dat de uitkomst van de taxatie eerst moest worden ‘
gereviewd’ door een onafhankelijke taxateur van het NWWI en dat het streven van de taxateur was om het definitieve rapport uiterlijk 15 april 2025 aan te leveren. Weliswaar heeft de vrouw in haar stukken en tijdens de mondelinge behandeling redenen aangevoerd waarom het haar niet kan worden aangerekend dat de taxatie zo laat heeft plaatsgevonden, maar deze redenen vormen naar het oordeel van het hof geen verschoonbare omstandigheden. Het was aan de vrouw om onverwijld na het maken van de afspraken op 13 december 2024 tot taxatie over te gaan en bij de man zo nodig aan te dringen op diens taxatie en, wanneer zou blijken dat er meer dan € 50.000,- verschil in de beide taxaties zat, aan te dringen op een derde taxateur, dit alles met het oog op het afronden van haar financieringstoezegging uiterlijk op 15 april 2025. Dit nu heeft de vrouw geheel nagelaten.
De vrouw heeft eveneens nagelaten een exemplaar van haar uiteindelijke rapport aan de man te verstrekken, ook nadat de man op 25 april 2025 via zijn taxateur vernam dat het NWWI beide rapporten introk. De vrouw heeft haar rapport pas in het kader van dit kort geding aan de man doen toekomen. Dat de vrouw (kort) na 25 april 2025 aan de man heeft voorgesteld een derde taxateur te benoemen, blijkt verder nergens uit. Met dit voorstel heeft de vrouw eveneens gewacht tot dit kort geding. Daarbij komt dat de vrouw hierbij ook nog eens de verkeerde route heeft bewandeld omdat uit het proces-verbaal blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de beide makelaars van partijen samen de derde taxateur zouden aanwijzen.
4.8
De vrouw heeft daarnaast pas in dit kort geding de op 11 april 2025 door haar en een onbekende partij ondertekende financieringsovereenkomst overgelegd, waarin aan haar een financiering wordt verstrekt voor een bedrag van € 500.000,-. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte verklaring van haar geldverstrekker blijkt verder dat de door haar gesloten overeenkomst nog afhankelijk is van het gevalideerde taxatierapport. Nu nog steeds niet duidelijk is welk bedrag de vrouw moet financieren omdat de waarde van de woning nog steeds niet vaststaat, staat daarmee ook niet vast dat aan de vrouw een voldoende en definitieve financieringstoezegging is verstrekt.
4.9
Anders dan de vrouw stelt, heeft zij dan ook niet voldaan aan de op haar rustende verplichtingen voortvloeiende uit het proces-verbaal van 13 december 2024, op grond waarvan zij uiterlijk 15 april 2025 op basis van een gevalideerde taxatie diende te beschikken over een bindende financieringstoezegging, waarmee zij in staat was het aandeel van de man in de woning over te nemen. Dit leidt ertoe dat onderdeel 2 van de door partijen gemaakte afspraken in het proces-verbaal geldt, inhoudende dat partijen de woning aan een derde zullen verkopen, waartoe zij opdracht zullen geven aan [X] Makelaars te [plaats B] . Als gevolg hiervan komt het hof dus niet meer toe aan een beoordeling van de door de vrouw gestelde belangen bij overname van de woning door haar op korte termijn, omdat dit – gelet op de gemaakte afspraken – een gepasseerd station is. In dat kader wil het hof nog wel opmerken dat de door de vrouw gestelde belangen een gevolg zijn van haar eigen handelen op basis van een onzekere situatie, waarin nog niet duidelijk was of de vrouw de woning kon overnemen of dat deze alsnog aan een derde verkocht diende te worden. Eventueel hiermee gepaard gaande nadelen komen dan ook voor haar rekening en risico. Evenmin is sprake van onvoorziene omstandigheden. De grieven 1 tot en met 3 van de vrouw falen, de grieven 1 tot en met 3 van de man slagen.
4.1
Dit leidt ertoe dat het hof de vorderingen I tot en met V van de vrouw zal afwijzen. De subsidiaire vordering van de vrouw onder VI tot benoeming van een taxateur zal eveneens, wegens gebrek aan belang, worden afgewezen. De vorderingen I t/m IV van de man zal het hof toewijzen, met dien verstande dat de man tijdens de zitting het deel van zijn vordering onder I dat ziet op een minimale verkoopprijs van € 1.030.332,-- heeft ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist, en het hof ten aanzien van vordering onder IV zal bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning, na aflossing van de op de woning rustende hypothecaire lening en betaling van de aan de verkoop verbonden kosten, in depot zal worden gehouden omdat het hof niet kan vaststellen of over en weer sprake zal zijn van vergoedingsrechten. Dit zal duidelijk moeten worden in de bodemprocedure. Omdat de wijze van verkoop, zoals gevorderd door de man, verder niet door de vrouw is betwist, zal deze op na te melden wijze worden toegewezen. Grief 5 van de man, die ziet op de handhaving van zijn vorderingen in conventie onder I tot en met IV (primair) en VII tot en met XII (subsidiair), mist in het licht van het vorengaande zelfstandige betekenis en kan onbehandeld blijven.
Grief 4 van de vrouw en grief 4 van de man
4.11
Deze grieven van partijen zien op de proceskosten. Beide partijen wensen dat de ander in de proceskosten wordt veroordeeld omdat, kort gezegd, de ander nalatig is geweest in de nakoming van de gemaakte afspraken. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal de proceskosten, nu de procedure een familierechtelijk karakter heeft, ook in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Grief 5 van de vrouw
4.12
De vrouw heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 2.640,-- moet betalen, omdat de voorzieningenrechter tijdens de zitting heeft gezegd alle vorderingen af te wijzen. Door deze vordering toe te wijzen is de voorzieningenrechter afgeweken van zijn vonnis.
4.13
Deze grief faalt. Het hof overweegt dat uit het proces-verbaal van de zitting niet valt af te leiden dat de voorzieningenrechter zou hebben gezegd dat alle vorderingen van partijen zouden worden afgewezen. Zijn opmerking zag uitsluitend op de vorderingen van partijen die zien op de verkoop en toedeling van de woning. De toewijzing is overigens ook terecht aangezien partijen in onderdeel 5 van het proces-verbaal van 13 december 2024 expliciet overeengekomen zijn dat de vrouw het door haar ten gevolge van de hypotheekrenteaftrek verkregen belastingvoordeel zal betalen aan de man omdat de man de hypotheekrente geheel betaalt. De vrouw heeft ook inhoudelijk geen argumenten hiertegen aangevoerd, zodat het hof het bestreden vonnis op dit punt in stand laat.
4.14
Een en ander leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vordering van de man in conventie ertoe strekkende dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, is afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- gebiedt de vrouw volledige medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning van partijen te ( [postcode] ) [plaats B] , aan de [A-straat] aan een derde;
- veroordeelt de vrouw om, op eerste verzoek van de man, een verkoopopdracht te tekenen bij [X] Makelaars te [plaats B] , waarbij, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de woning te koop zal aanbieden tegen een door de makelaar bepaalde, volgens hem marktconforme, vraagprijs;
- bepaalt dat de man voor maximaal € 1.000,- aan verbeteringen aan de woning mag treffen, voor zover de makelaar van mening is dat er verbeteringen moeten worden aangebracht teneinde de verkoopbaarheid van de woning te verbeteren;
- veroordeelt de vrouw om, nadat de makelaar een koper heeft gevonden voor de woning tegen de naar de mening van de makelaar best mogelijke verkoopprijs bij een verkoop van de woning binnen afzienbare termijn, binnen 48 uur nadat door de makelaar de verkoopovereenkomst aan de vrouw heeft voorgelegd, deze overeenkomst te ondertekenen en vervolgens de benodigde notariële akte van levering te ondertekenen op het tijdstip dat de notaris daarvoor aanwijst;
- bepaalt dat bij gebreke van de medewerking door de vrouw aan het ondertekenen van de verkoopopdracht en/of de verkoopovereenkomst en/of het notariële transport, dit arrest op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de rechtshandelingen van de vrouw die noodzakelijk zijn voor het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar, het tekenen van de verkoopovereenkomst en de levering van de woning aan de koper;
- bepaalt dat na verkoop en levering van de woning aan een derde, met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening wordt afgelost alsmede de met de verkoop samenhangende kosten worden betaald; de restantopbrengst zal door de notaris in depot worden gehouden in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, M.C. Schenkeveld en J.F. Miedema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.