ECLI:NL:GHAMS:2025:3382

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
200.356.814/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en vakantieregeling voor minderjarigen in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en de bijbehorende vakantieregeling. De vader was niet-ontvankelijk in zijn verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling, terwijl de moeder in hoger beroep verzocht om een wijziging van de zorgregeling. De kinderrechter had eerder de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 26 april 2026, maar het hof heeft deze verlenging bekrachtigd tot 19 september 2025. De moeder was niet-ontvankelijk in haar verzoek om wijziging van de reguliere zorgregeling, omdat dit verzoek niet eerder in eerste aanleg was gedaan. Het hof heeft de vakantieregeling, die eerder door de kinderrechter was vastgesteld, bekrachtigd met enkele aanpassingen voor de zomervakantie en de kerstperiode. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging van de belangen van de kinderen in het kader van de ondertoezichtstelling en de zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.814/01
zaaknummer rechtbank: C/13/756074 / JE RK 24-561
beschikking van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] ,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [de vader] (hierna: de vader);
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (10 jaar) (hierna: de kinderen) en het vaststellen van een (vakantie)regeling tussen de kinderen en de ouders.
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 15 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 26 april 2026. De kinderrechter heeft ook een vakantieregeling tussen de kinderen en de vader vastgesteld.
De moeder is het daar niet mee eens. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 14 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 20 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. De voorzitter heeft de inhoud van deze gesprekken ter zitting zakelijk weergegeven.
2.4
De zitting heeft op 22 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr M.C. Rosier te Amsterdam;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.
2.5
Namens de moeder is op 21 oktober 2025 een productie ingediend, waartegen de vader bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft overeenkomstig het uitgangspunt in het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven deze te laat ingediende productie buiten beschouwing gelaten.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats B] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2014 te [plaats B] .
De ouders zijn getrouwd geweest. Hun huwelijk is op 11 april 2017 ontbonden. De ouders zijn belast met het gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 19 september 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 26 april 2026. Verder heeft de kinderrechter de bij beschikking van de rechtbank van 8 juni 2022 vastgestelde zorgregeling met betrekking tot de vakanties gewijzigd, en de navolgende vakantieregeling vastgesteld:
Zomervakantie
De kinderen verblijven afwisselend volgens een 1-2-2-1 wekenschema bij de ouders:
in de oneven jaren:
• de eerste week bij de moeder, de twee en derde week bij de vader, de vierde en vijfde week bij de moeder, en de zesde week bij de vader;
in de even jaren:
• de eerste week bij de vader, de tweede en derde week bij de moeder, de vierde en vijfde week bij de vader, en de zesde week bij de moeder;
meivakantie
in de oneven jaren: gedurende de eerste week bij de vader en de tweede week bij moeder;
in de even jaren: gedurende de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
kerstvakantie
in de oneven jaren: eerste week bij moeder, tweede week bij vader;
in de even jaren: eerste week bij vader, tweede week bij moeder;
herfstvakantie
in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
voorjaarsvakantie
in de even jaren bij de moeder, in de oneven jaren bij de vader;
waarbij gedurende alle vakanties de vakantie aanvangt op de eerste maandag van de vakantie om 11:00 uur, de wisselmomenten gedurende de meerweekse vakanties op maandag 11:00 uur zijn, en de vakanties altijd eindigen op de eerste schooldag na de vakantie tijdstip aanvang school.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking,
- te bepalen dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 19 september 2025, dan wel een datum of termijn die het hof redelijk acht;
- een kindgesprek met de kinderen te gelasten;
-
Primair:de GI te gelasten om onderzoek te doen naar welke zorgregeling het meest in het belang is van de kinderen;
-
Subsidiair:een zorgregeling te bepalen tussen de vader en de kinderen:
Reguliere zorgregeling:
- de kinderen verblijven om het weekend van vrijdag na school tot zondagavond 18:00 uur bij de vader, waarbij de vader de kinderen ophaalt van school en terugbrengt naar de moeder;
Vakantieregeling:
Voorjaarsvakantie
De kinderen verblijven gedurende de eerste helft van de week bij de moeder en gedurende de tweede helft van de week bij de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op donderdag om 12:00 uur, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt.
Herfstvakantie
De kinderen verblijven gedurende de eerste helft van de week bij de moeder en gedurende de tweede helft van de week bij de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op donderdag om 12:00 uur, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt.
Kerstvakantie & feestdagen
De kinderen verblijven de ene helft van de vakantie bij de moeder en de andere helft bij de vader.
Met betrekking tot de feestdagen gedurende de Kerstvakantie geldt dat de kinderen in ieder geval bij de moeder verblijven op Sinterklaas, Eerste en Tweede Kerstdag, alsmede op Oudjaarsdag.
Meivakantie & feestdagen
De kinderen verblijven de eerste week van de vakantie bij de moeder en de tweede week bij de vader. Ongeacht deze verdeling verblijven de kinderen tijdens Moederdag altijd bij de moeder.
Zomervakantie
- de kinderen verblijven gedurende de eerste twee weken bij de vader en gedurende de laatste 4 weken bij de moeder;
althans een zodanige beslissing die het hof in goede justitie meent te behoren.
4.3
De vader verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
- het verzoek van de moeder tot het verkorten van de termijn van de ondertoezichtstelling af te wijzen;
- de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken tot het wijzigen van de zorg- en vakantieregeling, althans deze verzoeken af te wijzen;
- de moeder te veroordelen in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

De verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 260, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) die het toezicht heeft. Indien deze GI niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek (artikel 260, tweede lid, BW).
Ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek
5.2
Het hof ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de kinderrechter de vader in zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling had mogen ontvangen.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Bij inleidend verzoek van 29 augustus 2024 heeft de GI verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 19 september 2025.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 september 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 19 september 2024 tot 26 oktober 2024, onder aanhouding van iedere verdere beslissing en onder de bepaling dat de behandeling van het verzoek zal worden voortgezet ter terechtzitting van 21 oktober 2024. In de beschikking van 21 oktober 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 26 oktober 2024 verlengd tot 26 januari 2025 en vervolgens in de beschikking van 17 januari 2025 tot 26 april 2025, telkens onder de vermelding dat het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling voor het overige wordt aangehouden. In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter vermeld dat nog een beslissing diende te worden genomen op het resterende deel van het verzoek, te weten de verlenging tot 19 september 2025. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2025 een verzoekschrift ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. In de bestreden beschikking van 15 april 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de vader verlengd tot 26 april 2026.
5.4
Het hof is van oordeel dat de wet geen ruimte biedt voor toewijzing van het verzoek van de vader in een situatie als hier aan de orde. Op grond van artikel 1:260, tweede lid, BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de GI. Pas indien de GI
niettot een verzoek overgaat, ontstaat de bevoegdheid voor een ouder tot het doen van een dergelijk verzoek. In deze zaak lag aan de kinderrechter het resterende deel van het verlengingsverzoek van de GI over de periode van 26 april 2025 tot 19 september 2025 ter beoordeling voor. Een verlengingsverzoek voor de periode na 19 september 2025 zou de GI voorafgaand aan 19 september 2025 hebben kunnen doen. Pas als de GI zou melden daartoe niet te zullen overgaan, zou de bevoegdheid tot het doen van een verlengingsverzoek voor de andere in artikel 1:260, tweede lid, BW genoemde instanties en personen ontstaan. Er is geen grond voor het oordeel dat de GI een verlengingsverzoek voor de periode na 19 september 2025 al voorafgaand aan de zitting van 15 april 2025 had moeten doen en evenmin was er aanleiding om op 15 april 2025 aan te nemen dat de GI zou afzien van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling na 19 september 2025. De vader was daarom niet bevoegd tot het doen van zijn verlengingsverzoek. Het voorgaande betekent dat de vader niet in zijn verzoek kon worden ontvangen. Het hof zal de vader alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
5.5
De raad en de GI hebben tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat een ondertoezichtstelling van de kinderen nog steeds noodzakelijk is. De advocaat van de vader heeft naar voren gebracht dat een niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn verzoek ertoe zal leiden dat er een periode zonder ondertoezichtstelling ontstaat. Dit acht de vader een bedreiging van de bescherming van de kinderen en een schending van artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof deelt dit standpunt niet, alleen al omdat de GI maatregelen zal kunnen treffen om te voorkomen dat de inmiddels gerealiseerde hulpverlening stagneert; ter zitting in hoger beroep is besproken dat ook de raad daartoe actie zal kunnen ondernemen. Dat een periode zonder ondertoezichtstelling een situatie oplevert waarin sprake is van de door de vader gestelde schending die zou moeten leiden tot het doorbreken van genoemd wettelijk voorschrift, is dan ook niet gebleken.
Verlenging van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI
5.6
Vaststaat dat aan de vereisten voor (verlenging van) de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt voldaan. De verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen op basis van het resterende deel van het verlengingsverzoek van de GI tot 19 september 2025 staat ook niet ter discussie. Het hof zal daarom de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 19 september 2025 in stand laten.
5.7
De moeder heeft in hoger beroep verzocht de duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling te bekorten tot 19 september 2025. Omdat de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk is, is van verlenging na 19 september 2025 geen sprake, zodat de grief van de moeder tegen de duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling geen bespreking meer behoeft.
De reguliere zorgregeling
Ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek in hoger beroep
5.8
De moeder heeft in hoger beroep verzocht om de GI te gelasten onderzoek te doen naar de zorgregeling, althans de huidige reguliere zorgregeling te wijzigen, zodanig dat de kinderen om het weekend van vrijdag na school tot zondagavond 18:00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen ophaalt van school en terugbrengt naar de moeder.
5.9
Het hof overweegt hierover het volgende. De op dit moment tussen de ouders en de kinderen geldende reguliere zorgregeling heeft de rechtbank Amsterdam vastgesteld in een beschikking van 8 juni 2022 en houdt in dat de kinderen de ene week van donderdag uit school tot vrijdagochtend en de andere week van donderdag uit school tot maandagochtend bij de vader zijn. De GI heeft in deze procedure op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW aan de kinderrechter verzocht om een vakantieregeling vast te stellen. Ten aanzien van de reguliere zorgregeling heeft de GI geen wijziging verzocht. Een verzoek van de moeder of een verweer van haar zijde met betrekking tot de reguliere zorgregeling lag aan de rechter in eerste aanleg evenmin ter beoordeling voor. Het verzoek van de moeder om onderzoek naar/wijziging van de reguliere zorgregeling wordt dus voor het eerst in hoger beroep gedaan.
Op grond van artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan niet voor het eerst in hoger beroep een verzoek worden gedaan. Er zijn het hof geen feiten of omstandigheden gebleken die maken dat in dit geval van de hoofdregel van artikel 362 Rv zou moeten worden afgeweken. Het hof zal de moeder daarom in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Het hof merkt hierbij nog op dat indien een wijziging van de zorgregeling alsnog noodzakelijk zou zijn, dit onder regie van de GI kan plaatsvinden. De GI is het beste in staat de situatie van de kinderen te beoordelen. Bij gebreke van overeenstemming over de zorgregeling kan de GI, als er weer een ondertoezichtstelling is uitgesproken, op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een verzoek tot wijziging van de zorgregeling bij de kinderrechter indienen en in de situatie waarin er geen ondertoezichtstelling van de kinderen is, kunnen de ouders zich zo nodig tot de rechter wenden.
De vakantieregeling
De standpunten
5.1
De moeder stelt dat de kinderen hebben aangegeven niet voor langere aaneengesloten perioden in de vakanties bij de vader te willen verblijven
.Daarnaast heeft [minderjarige 1] last van een kattenallergie, hetgeen het voor hem extra belastend maakt om langere tijd bij de vader te verblijven.
5.11
De vader voert aan dat op 8 juni 2022 een beschikking is gegeven over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Van die beschikking is de moeder niet in beroep gegaan, zodat sprake dient te zijn van een gewijzigde omstandigheid die een wijziging van de vakantieregeling rechtvaardigt. De moeder draagt geen omstandigheden aan die een wijziging rechtvaardigen. De kinderen en de vader hebben samen een fijne tijd als zij met elkaar zijn. De vader merkt niet bij de kinderen dat zij niet voor langere tijd bij hem zouden willen zijn.
5.12
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het zorgelijk te vinden dat de moeder niemand vertrouwt met de kinderen. Dit bemoeilijkt de samenwerking. De kinderen hebben aangegeven dat ze de wisselmomenten vervelend vinden. Een verdeling in de zomervakantie van drie weken bij de ene en drie weken bij de andere ouder sluit daar mooi bij aan.
5.13
Het hof overweegt als volgt. Bij beschikking van de rechtbank van 8 juni 2022 is bepaald dat de vakanties en feestdagen, in onderling overleg, bij helfte worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak op 15 april 2025 heeft de GI de kinderrechter verzocht om een vakantieregeling vast te stellen tussen de ouders en de kinderen, omdat de invulling van de vakanties de ouders verdeeld houdt en het van belang is dat hierover snel duidelijkheid komt. Hierop heeft de kinderrechter de in 2022 vastgestelde vakantieregeling nader bepaald.
Het hof is van oordeel dat de moeder in hoger beroep niet om een wijziging van de in 2022 vastgestelde vakantieregeling verzoekt, maar slechts om een andere invulling daarvan. Dit verzoek valt binnen de bandbreedte die de regeling biedt, namelijk verdeling van de vakanties bij helfte, en kan derhalve niet worden aangemerkt als een afwijking van de oorspronkelijk door de rechtbank bepaalde regeling. De moeder is ontvankelijk in haar verzoek. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook inhoudelijk beoordelen.
Voorjaars- en herfstvakantie
5.14
De verzoeken ten aanzien van de voorjaars- en herfstvakantie heeft de moeder tijdens de zitting ingetrokken. Het hof hoeft daarom niet meer op deze verzoeken te beslissen. De beslissing van de kinderrechter dat de kinderen in de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de moeder verblijven en in de oneven jaren bij de vader, en in de herfstvakantie in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder zijn, blijft in stand.
Zomervakantie
5.15
Het verzoek van de moeder om te bepalen dat de kinderen in de zomervakantie vier weken bij haar en twee weken bij de vader zijn, stemt niet overeen met het uitgangspunt van een verdeling van de vakanties bij helfte, zoals door de rechtbank in 2022 is bepaald, en zal worden afgewezen. Het hof zal bepalen dat de ouders ieder de helft van de zomervakantie de kinderen bij zich hebben gedurende drie aaneengesloten weken. Dit betekent dat er slechts één wisselmoment is in de zes weken, wat voor de kinderen het prettigst is. Zij ervaren de wisselmomenten als onrustig en vervelend, zodat het aantal wisselmomenten zoveel mogelijk beperkt moet worden. De stelling van de moeder dat [minderjarige 1] last heeft van een kattenallergie, waardoor het voor hem extra belastend zou zijn om langere tijd bij de vader te verblijven, is geen reden om de zomervakantie op een andere manier te verdelen. Tijdens de zitting heeft de moeder immers aangegeven dat [minderjarige 1] medicijnen kan slikken om de allergie te verlichten.
Kerstvakantie
5.16
Ten aanzien van de kerstvakantie overweegt het hof dat, net als bij de zomervakantie, het in het belang van de kinderen is om het aantal wisselmomenten te beperken. Het hof acht de regeling die de kinderrechter heeft vastgesteld, passend. Conform die regeling verblijven de kinderen in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder en de tweede week bij de vader, en in de oneven jaren omgekeerd. Wel zal het hof bepalen dat de kinderen, conform hun wens, de eerste kerstdag bij de moeder en de tweede kerstdag bij de vader zullen zijn. Oud en nieuw brengen de kinderen door bij de ouder bij wie ze volgens de regeling zijn.
Meivakantie
5.17
Ten aanzien van de meivakantie zal het hof eveneens aansluiten bij de door de kinderrechter bepaalde regeling, waarbij de kinderen in de even jaren de eerste week van de vakantie bij de moeder en de tweede week bij de vader verblijven en in de oneven jaren omgekeerd. Ook dit zorgt voor zo min mogelijk wisselmomenten, reden waarom de door de moeder verzochte regeling voor Moederdag wordt afgewezen.
Voor zover er een regeling is gevraagd voor de overige feestdagen wordt deze afgewezen en bepaalt het hof dat de kinderen deze doorbrengen bij de ouder bij wie zij volgens de regeling verblijven.
Het voorgaande betekent dat het hof de beschikking van de kinderrechter met betrekking tot de vakantieregeling zal bekrachtigen met een aanpassing van bovengenoemde regeling in de zomervakantie en de kerstdagen.
Proceskostenveroordeling
5.18
De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.
5.19
Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat deze procedure van familierechtelijke aard is.
5.2
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verlengd tot 26 april 2026 en opnieuw rechtdoende:
- verklaart de vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling;
- bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 19 september 2025;
- verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek om onderzoek naar/wijziging van de reguliere zorgregeling;
- bekrachtigt de in de bestreden beschikking opgenomen vakantieregeling, met aanpassing van de regeling voor de zomervakantie en de kerstdagen in de navolgende zin:
Zomervakantie
De kinderen verblijven:
in de oneven jaren:
• de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
in de even jaren:
• de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;
Kerstdagen
De kinderen verblijven de eerste kerstdag bij de moeder en de tweede kerstdag bij de vader;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
-wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.R. Sturhoofd en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 2 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.