Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het hoger beroep
Primair:de GI te gelasten om onderzoek te doen naar welke zorgregeling het meest in het belang is van de kinderen;
Subsidiair:een zorgregeling te bepalen tussen de vader en de kinderen:
5.De motivering van de beslissing
niettot een verzoek overgaat, ontstaat de bevoegdheid voor een ouder tot het doen van een dergelijk verzoek. In deze zaak lag aan de kinderrechter het resterende deel van het verlengingsverzoek van de GI over de periode van 26 april 2025 tot 19 september 2025 ter beoordeling voor. Een verlengingsverzoek voor de periode na 19 september 2025 zou de GI voorafgaand aan 19 september 2025 hebben kunnen doen. Pas als de GI zou melden daartoe niet te zullen overgaan, zou de bevoegdheid tot het doen van een verlengingsverzoek voor de andere in artikel 1:260, tweede lid, BW genoemde instanties en personen ontstaan. Er is geen grond voor het oordeel dat de GI een verlengingsverzoek voor de periode na 19 september 2025 al voorafgaand aan de zitting van 15 april 2025 had moeten doen en evenmin was er aanleiding om op 15 april 2025 aan te nemen dat de GI zou afzien van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling na 19 september 2025. De vader was daarom niet bevoegd tot het doen van zijn verlengingsverzoek. Het voorgaande betekent dat de vader niet in zijn verzoek kon worden ontvangen. Het hof zal de vader alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
.Daarnaast heeft [minderjarige 1] last van een kattenallergie, hetgeen het voor hem extra belastend maakt om langere tijd bij de vader te verblijven.