ECLI:NL:GHAMS:2025:3383

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
200.356.896/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag van de moeder over minderjarigen na scheiding en ondertoezichtstelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van het gezag van de moeder over haar twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De rechtbank Noord-Holland had eerder op 16 april 2025 het gezag van beide ouders beëindigd en de William Schrikker Stichting belast met de voogdij. De moeder was het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, omdat de moeder niet in staat is gebleken om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen te dragen. De moeder heeft in het verleden niet adequaat kunnen inspelen op de zorgbehoeften van [minderjarige 1], die kampt met PDD NOS en een verstandelijke beperking, en de samenwerking met de hulpverlening is moeizaam verlopen. Het hof heeft vastgesteld dat de aanvaardbare termijn voor de moeder om zorg te dragen voor de opvoeding van beide kinderen is verstreken. De belangen van de kinderen vereisen dat de GI de voogdij over hen behoudt, zodat belangrijke beslissingen over hun toekomst zonder vertraging kunnen worden genomen. De beslissing van het hof is in overeenstemming met artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek, dat de beëindiging van het gezag van een ouder mogelijk maakt indien de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.896/01
zaaknummers rechtbank: C/15/360488 / FA RK 24-6563 en C/15/362455/ FA RK 25/989
beschikking van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren [in] 2008 te [plaats A] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2011
te [plaats A] ;
- [de vader] (hierna: de vader)
- de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 16 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van beide ouders over de kinderen beëindigd en de GI belast met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De moeder is het niet eens met de beëindiging van haar gezag over de kinderen en wil dat het verzoek van de raad om haar gezag te beëindigen, alsnog wordt afgewezen. De raad en de GI zijn het wel eens met de bestreden beschikking.
1.3
Het hof laat de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, in stand en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 15 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
De raad heeft op 8 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De GI heeft op 12 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 24 september 2025;
- een bericht van de raad van 26 september 2025.
2.5
De voorzitter heeft op 21 oktober 2025 met zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] gesproken.
2.6
De zitting heeft op 24 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Eijpe;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn in augustus 2021 gescheiden. De ouders oefenden tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. [minderjarige 1] woont sinds 2016 niet meer bij de ouders; vanaf 2018 woonde hij in een [X] en vanaf 2022 bij de [Y] . Vanaf juli 2024 woont [minderjarige 1] in een woongroep van [Z] . [minderjarige 2] woont sinds september 2023 bij de vader, diens partner en twee stiefbroers ( [stiefbroer 1] en [stiefbroer 2] ).
3.2
De kinderen staan sinds 29 juli 2020 onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst tot 29 juli 2025.
3.3
[minderjarige 1] is op 29 juli 2020 uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing is telkens verlengd, voor het laatst tot 29 juli 2025.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald, voor zover hier van belang, dat het gezag van de moeder over de kinderen wordt beëindigd en dat de GI wordt belast met de voogdij over de kinderen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidende verzoek van de raad strekkende tot beëindiging van haar gezag over de kinderen, af te wijzen.
4.3
De raad verzoekt afwijzing van het verzoek van de moeder en bekrachtiging van de bestreden beschikking.
4.4
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijke kader
5.1
Uit artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
De standpunten
5.2
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte haar gezag over de kinderen heeft beëindigd en voert daartoe het volgende aan. Er bestaat bij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] geen onduidelijkheid over hun perspectief. [minderjarige 1] heeft een verzwaarde opvoedvraag en er zullen in de komende jaren belangrijke keuzes moeten worden gemaakt waar de moeder bij betrokken wenst te zijn. Volgens de moeder is gebleken dat de GI onvoldoende zorg draagt om de medische gezondheid van [minderjarige 1] te waarborgen. De moeder betwist dat zij in het verleden gezagsbeslissingen heeft gefrustreerd. Zij is weliswaar kritisch, maar zal altijd in het belang van [minderjarige 1] handelen en overal aan meewerken. Ten aanzien van de beëindiging van het gezag over [minderjarige 2] meent de moeder dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat de aanvaardbare termijn is verstreken. De moeder wordt nu niet betrokken bij gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] , maar dat betekent niet dat zij niet in staat is om belangrijke gezagsbeslissingen over hem te nemen op basis van voldoende uitgebreide informatie over de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Op deze wijze blijft de moeder, ondanks het ontbreken van contact, betrokken bij [minderjarige 2] , hetgeen in de toekomst het eventuele contactherstel ten goede zal komen.
De moeder beroept zich in dit verband ook op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
5.3
De raad is van mening dat de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] terecht heeft beëindigd. Het opvoedperspectief van [minderjarige 1] ligt al lang niet meer bij de ouders. [minderjarige 1] heeft een speciale zorgbehoefte en de moeder kan hierin niet voorzien. Ook lukt het haar niet om in het belang van [minderjarige 1] samen te werken met de hulpverlening. Zo is de fysieke omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder gestagneerd omdat de moeder niet akkoord gaat met begeleiding van de omgang. Voor [minderjarige 1] moeten in de komende jaren belangrijke beslissingen worden genomen met het oog op zijn woonplek en aanstaande meerderjarigheid. Het is in zijn belang dat deze beslissingen zonder vertraging kunnen worden genomen, aldus de raad.
Ten aanzien van het gezag over [minderjarige 2] refereert de raad zich aan het oordeel van het hof.
5.4
De GI meent dat de rechtbank het gezag van de moeder over zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] terecht heeft beëindigd. Voor wat betreft [minderjarige 1] sluit de GI zich aan bij het standpunt van de raad. Het lukt de moeder onvoldoende om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] . Zij houdt zich niet aan de gemaakte afspraken met de hulpverlening. De moeder heeft de begeleide omgang met [minderjarige 1] door De Waerden in maart 2025 stopgezet en te kennen gegeven geen herstelgesprek te willen aangaan. De GI en [Z] betreuren dit enorm, omdat [minderjarige 1] zijn moeder mist en niet begrijpt waarom de omgang niet meer plaatsvindt. De moeder lijkt op dit moment onvoldoende in te zien wat voor invloed haar keuzes hebben op het leven van [minderjarige 1] . Tussen [minderjarige 2] en de moeder is al langere tijd geen contact omdat [minderjarige 2] dat niet wil. Volgens de GI is zowel voor [minderjarige 1] als voor [minderjarige 2] de aanvaardbare termijn verstreken. Ook is de GI van mening dat behoud van het gezag van de moeder schadelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder belemmert de gezagsbeslissingen inderdaad niet rechtstreeks, maar bemoeilijkt deze wel, door geen duidelijkheid te geven. Zij voert strijd met de professionals die met de ouders gezamenlijke beslissingen willen nemen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , wat de samenwerking bemoeilijkt.
5.5
De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank om het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en sluit zich aan bij de standpunten van de raad en de GI. Beëindiging van het gezag van de moeder zorgt voor rust bij beide kinderen en is in hun belang, aldus de vader.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het op de zitting in hoger beroep besprokene is het volgende gebleken.
5.7
[minderjarige 1] kampt met persoonlijke problematiek - PDD NOS en een verstandelijke beperking – en is daardoor kwetsbaar, beïnvloedbaar en snel overprikkeld. Hij heeft intensieve een-op-een begeleiding nodig en meer dan gemiddeld behoefte aan rust, structuur en duidelijkheid om zich, binnen zijn mogelijkheden, goed te kunnen ontwikkelen. In 2016 is hij – in eerste instantie - op vrijwillige basis uit huis geplaatst. [minderjarige 1] heeft sindsdien verschillende keren van woonplek moeten veranderen en veel onzekerheid ervaren over zijn perspectief. Sinds 2024 verblijft hij in een kleinschalige woonvoorziening bij [Z] . Op de zitting in hoger beroep is gebleken dat de GI twijfelt of [Z] wel een passende plek is, gelet op [minderjarige 1] problematiek en dat er gezocht wordt naar een meer passende voorziening waar [minderjarige 1] ook na zijn meerderjarigheid goed op zijn plek zal zijn. In het gesprek met de voorzitter [in] 2025 heeft [minderjarige 1] aangegeven dat [naam] (zijn jeugdbeschermer) nu de beslissingen over hem neemt. [minderjarige 1] vertelt dat er veel geregeld moet worden voordat hij achttien wordt en dat hij het goed vindt als [naam] dit doet.
5.8
Het hof is van oordeel dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder in staat zou moeten zijn om zorg te dragen voor de opvoeding van [minderjarige 1] , is verstreken. Het opgroeiperspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer bij de moeder. Bovendien zijn de zorgen die bestonden, niet weggenomen. Het lukt de moeder nog steeds niet om aan te sluiten bij de specifieke zorg- en opvoedbehoefte van [minderjarige 1] . Daarnaast verloopt de samenwerking van de moeder met de GI en [Z] heel moeizaam. De moeder ziet niet in wat de impact is van haar handelen, zoals het stopzetten van de begeleide omgang, op het gevoel en de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Aangezien er in de komende periode voor [minderjarige 1] belangrijke beslissingen moeten worden genomen, zoals over zijn woonplek en beslissingen en acties in het licht van het feit dat hij volgend jaar meerderjarig wordt, acht het hof het van belang dat de GI, die al jaren nauw betrokken is bij [minderjarige 1] en over de nodige expertise beschikt, deze beslissingen in zijn belang en zonder vertraging kan nemen. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de gronden van artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
5.9
[minderjarige 2] heeft een belaste voorgeschiedenis. In de vroegere thuissituatie bij de ouders is hij regelmatig getuige geweest van heftige ruzies tussen de ouders. Na de echtscheiding woonde [minderjarige 2] een periode bij zijn moeder, waar hij zich niet prettig en ook onveilig voelde. Sinds september 2023 woont [minderjarige 2] in het gezin van zijn vader, waar hij zich goed ontwikkelt. De band met zijn moeder is sindsdien verder verstoord geraakt. In het gesprek met de voorzitter [in] 2025 heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij niet wil dat zijn moeder het gezag over hem heeft, omdat zij niet veel van zijn leven weet en dus ook geen beslissingen over hem kan nemen. [minderjarige 2] wil ook niet dat zijn moeder informatie over hem krijgt.
5.1
Ook ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt het hof dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder in staat zou moeten zijn om zorg te dragen voor de opvoeding van [minderjarige 2] , is verstreken en dat het opgroeiperspectief van [minderjarige 2] niet meer bij de moeder ligt. De strijd tussen de ouders duurt al jaren voort en in de afgelopen jaren is tevergeefs geprobeerd om de communicatie te verbeteren. Het hof overweegt, mede op basis van de door het hof waargenomen interactie tussen de ouders ter zitting in hoger beroep, dat niet valt te verwachten dat hierin nog verbetering zal komen. De moeder toont geen tot weinig inzicht in haar eigen handelen en de gevolgen van dit handelen voor [minderjarige 2] . [minderjarige 2] en de moeder hebben elkaar al twee jaar niet gezien en [minderjarige 2] staat op dit moment niet open voor contact, zodat het voor de moeder niet mogelijk zal zijn om geïnformeerd gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] te nemen die in zijn belang nodig zijn. Louter het verstrekken van uitgebreidere informatie over [minderjarige 2] , zoals de moeder voorstaat, zal bij het geheel ontbreken van contact dit probleem niet oplossen, waarbij bovendien geldt dat [minderjarige 2] niet wil dat de moeder uitgebreide informatie over hem ontvangt. Het hof acht het, net als de rechtbank, in het belang van [minderjarige 2] om de GI met de voogdij over [minderjarige 2] te belasten. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van [minderjarige 2] aan de gronden genoemd in artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen. Ten overvloede overweegt het hof dat het de moeder niet vrijstaat om informatie over [minderjarige 2] in te winnen bij school of (andere) instanties.
5.11
De beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vormt een inmenging in het familie- en gezinsleven van de moeder, als bedoeld in artikel 8 EVRM. Uit het voorgaande volgt dat deze inmenging gerechtvaardigd is en naar het oordeel van het hof ook noodzakelijk in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van hun geestelijke en lichamelijke ontwikkeling.
5.12
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier op grond van het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en
mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op
2 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.