ECLI:NL:GHAMS:2025:3404

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.337.646/01 en 200.337.648/01 en 200.337.649/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor verhuizing naar Griekenland en gezagskwesties in een ouderschapsconflict

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verzoeken van een moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor verhuizing met haar minderjarige kind naar Griekenland, en over de uitoefening van het gezag. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. C.S.M. Ruijgrok, verzocht om toestemming voor verhuizing, terwijl de vader, vertegenwoordigd door mr. H. Plantenga, zich daartegen verzette. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in deze procedure advies uitgebracht. Het hof heeft in zijn beoordeling het belang van het kind vooropgesteld en geconcludeerd dat de verhuizing naar Griekenland niet in het belang van het kind is. Het hof heeft vastgesteld dat het kind een hechtingsrelatie heeft met beide ouders en dat een verhuizing naar Griekenland de band met de vader zou ondermijnen. De moeder heeft aangevoerd dat zij in Griekenland een beter netwerk heeft en dat haar mentale gezondheid zou verbeteren, maar het hof oordeelde dat de belangen van het kind zwaarder wegen. De huidige zorgregeling is gehandhaafd, waarbij het kind de helft van de tijd bij beide ouders verblijft. De beslissing van de rechtbank is in zoverre bekrachtigd dat partijen gezamenlijk met het gezag over het kind worden belast, en het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing is afgewezen. De zorgregeling is opnieuw vastgesteld, waarbij de ouders de zorg voor het kind bij helfte delen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummers: 200.337.646/01 (gezag en zorgregeling), 200.337.648/01 (vervangende toestemming verhuizing) en 200.337.649/01 (kinderalimentatie)
Zaaknummers rechtbank: C/13/719358/FA RK 22-3931 (gezag en zorgregeling),
C/13/734115 / FA RK 23-3370 (vervangende toestemming verhuizing) en C/13/736212 / FA RK 23/4454 (kinderalimentatie)
Beschikking van de meervoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. H. Plantenga te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in hoger beroep tot zover naar zijn tussenbeschikking van 9 juli 2024. Bij die beschikking heeft het hof de raad gelast onderzoek te verrichten en advies uit te brengen met betrekking tot het gezag over [minderjarige] , de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar Griekenland, en de zorgregeling, en in dat kader de volgende vragen te beantwoorden:
Zijn er feiten en omstandigheden aanwezig die maken dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders bij toewijzing van gezamenlijk gezag?
Zo ja, welke omstandigheden zijn dit, en is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt en hoe zou die verbetering bewerkstelligd kunnen worden?
Is het niet vaststellen van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk?
In hoeverre zijn de ouders in staat om, wanneer [minderjarige] met de ene ouder in een ander land dan de andere ouder woont, de andere ouder op betekenisvolle wijze in het leven van [minderjarige] te betrekken en de bestaande band van die andere ouder met [minderjarige] te waarborgen?
Hoe doorleefd is de wens van moeder om naar Griekenland te verhuizen en welke invloed hebben de door haar genoemde fysieke en mentale problemen op haar draagkracht om de zorgtaken voor [minderjarige] in Nederland op zich te nemen (in het geval dus dat zij niet met [minderjarige] naar Griekenland zou mogen verhuizen)?
Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders?
Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit de minderjarige en welke vanuit de ouders?
Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?
Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie in het belang van de minderjarige vorm te worden gegeven?
Zijn er andere feiten en omstandigheden die het hof bij zijn oordeel moet betrekken?
Zou u de vragen 6 tot en met 10 willen beantwoorden zowel vanuit de situatie dat de moeder met [minderjarige] in Nederland moet blijven als de situatie dat zij met [minderjarige] naar Griekenland mag verhuizen?
Wat is met betrekking tot de talen in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] ?
In hoeveel talen kan de minderjarige worden opgevoed zonder dat dit voor hem onoverkomelijke schade oplevert?
Wat kan een minderjarige aan en wat zijn de mogelijkheden en onmogelijkheden in het kader van de verdere ontwikkeling?
De behandeling van de verzoeken in hoger beroep is aangehouden in afwachting van het onderzoek door de raad.
1.2
Bij brief van 7 juli 2025 heeft de raad zijn rapport van 3 juli 2025 aan het hof gestuurd. Bij brief van 10 juli 2025 heeft de raad een bijlage (informatie huisarts van de moeder) nagezonden. Bij brief van 22 juli 2024 heeft de raad nog een bijlage (informatie psychiater van de moeder) nagezonden. Op 4 september 2025 heeft de raad het hof een gewijzigd rapport van 3 juli 2025 gestuurd naar aanleiding van de aanvullende informatie van de moeder.
1.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 oktober 2025 met bijlagen H55 t/m H84,
- een bericht van de zijde van de vader van 10 oktober 2025 met bijlagen 106 t/m 116, en
- een bericht van de zijde van de vader van 13 oktober 2025 met bijlagen 117 en 118.
1.4
De mondelinge behandeling is op 20 oktober 2025 voortgezet. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal, H. Abdullah;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal, S. Breukel;
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
Beide advocaten hebben tijdens deze voortgezette behandeling in hoger beroep pleitnotities overgelegd.
1.5
Het hof heeft ter zitting beslist dat het geen acht zal slaan op het bericht dat de vader op 17 oktober 2025 heeft ingediend, omdat het zonder noodzaak vlak voor de mondelinge behandeling is ingekomen en het in feite gaat om een wijziging van het standpunt van de vader dat hij ter zitting naar voren kan brengen.
1.6
Na afloop van de behandeling zijn partijen in de zaak met zaaknummer 200.337.649/01 (kinderalimentatie) in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen en op elkaars stukken te reageren. Partijen kunnen daarnaast een standpunt innemen over de gevolgen van de beslissing in de zaak met zaaknummer 200.337.648/01 (vervangende toestemming verhuizing) op de kinderalimentatie. In de zaak met zaaknummer 200.337.649/01 zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

2.De motivering van de beslissing

Advies raad in eerste aanleg
2.1
De rechtbank heeft bij haar tussenbeschikking van 12 juli 2023 de raad verzocht onderzoek te verrichten en advies uit te brengen ten aanzien van – kort gezegd – het gezag, de verhuizing en de omgang. De behandeling van de zaak is door de rechtbank aangehouden tot 31 oktober 2023. Voor het geval dat de raad niet tijdig schriftelijk advies zou kunnen uitbrengen, werd de raad gelast ter zitting van 31 oktober 2023 mondeling advies te geven.
Uit de bestreden beschikking van 15 november 2023 blijkt dat de raad zijn onderzoek ten tijde van de zitting van 31 oktober 2023 nog niet was gestart en dat dit nog wel enige tijd kon duren. Ter zitting heeft de raad zich mondeling summier uitgelaten over de zaak zonder een vastomlijnd advies te geven. De rechtbank heeft het onderzoek van de raad niet willen afwachten en het van belang geacht dat beslissingen werden genomen, zodat er rust zou komen voor zowel de ouders als voor [minderjarige] .
Het hof overweegt dat de moeder in haar tweede grief terecht heeft aangevoerd dat de rechtbank zich niet consequent heeft betoond door zich aanvankelijk onvoldoende voorgelicht te achten en vier maanden later toch beslissingen te nemen zonder onderliggend raadsadvies. Wat daar van zij, nu het hoger beroep er mede toe dient om fouten en omissies uit de eerste aanleg te herstellen en de raad inmiddels, zij het na enige vertraging, alsnog een rapport met advies heeft uitgebracht, behoeft deze grief geen nadere bespreking meer.
Raadsrapport
2.2
Uit het raadsrapport blijkt onder andere het volgende.
De raad acht de door de moeder gewenste verhuizing met [minderjarige] naar Griekenland niet in zijn belang, omdat [minderjarige] met beide ouders een hechtingsrelatie heeft opgebouwd en hij zich leert te identificeren met beide ouders. Een scheiding van één ouder is een ingrijpende gebeurtenis voor een (jong) kind en is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Het risico is aanwezig dat hij daarmee het vertrouwen in volwassenen verliest, omdat een belangrijke hechtingsfiguur wegvalt. De voorstellen van de moeder om het contact te behouden, vooral door middel van videobellen en het samen doorbrengen van vakanties, zijn onvoldoende om het huidige contact te kunnen compenseren. Het is bovendien de vraag of de moeder werkelijk in staat is de door haar voorgestelde contactregeling te faciliteren; zij heeft zich niet steeds betrouwbaar getoond in het nakomen van afspraken (als gevolg van haar medische situatie) en zij heeft geen netwerk bij wie zij kan verblijven als zij in Nederland is. In dat verband heeft de raad nog gesteld geen medische noodzaak te hebben kunnen vaststellen voor de verhuizing van de moeder naar Griekenland.
Daarnaast is het van belang voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat hij in contact kan blijven met zowel de Griekse als de Roemeense cultuur, talen en families. De raad vertrouwt er niet op dat het volgen van Roemeense les in Griekenland volstaat om te voorkomen dat [minderjarige] de Roemeense taal (en cultuur) zal verleren. Vooral als [minderjarige] de taal verleert, zal dat grote consequenties hebben voor het onderhouden van contact met de vader, aangezien hij Roemeens spreekt met [minderjarige] . Het behouden van de helft van de identiteit waar [minderjarige] vandaan komt, is het beste vorm te geven vanuit Nederland. Inmiddels bestaat deze situatie al een tijd en daarbinnen ontwikkelt [minderjarige] zich goed.
Ten aanzien van de zorgregeling heeft de raad geadviseerd de huidige regeling te handhaven aangezien er geen aanwijzingen zijn dat die schadelijk is voor [minderjarige] en hij eraan gewend is geraakt. De raad heeft een concreet voorstel gedaan voor de invulling van de zorgregeling als [minderjarige] naar school gaat.
Tot slot heeft de raad geadviseerd in de gezagssituatie geen wijziging te brengen. De raad ziet geen grote zorgen die erop wijzen dat de ouders niet in staat zijn om samen het gezag uit te voeren. Zo hebben zij gezamenlijk scholen uitgekozen en bezocht. Ook komen de ouders samen op afspraken bij de hulpverlening. Als de moeder alleen het gezag heeft, is het de vraag of zij de vader voldoende zal blijven betrekken en of zij niet toch naar Griekenland zal verhuizen. Daarbij zij opgemerkt dat partijen wel aan hun communicatie moeten werken; het traject Ouderschap Blijft is daarvoor geschikt.
2.3
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad herhaald dat het in het belang van [minderjarige] geacht wordt om in Nederland met beide ouders te wonen en dat de ouders de zorg voor hem bij helfte delen. Het is belangrijk dat de ouders goed kijken hoe zij het gezamenlijk ouderschap vorm gaan geven en dat zij hulp zoeken voor het verbeteren van hun communicatie. Het Ouder- en Kindteam (OKT), waar de ouders al enkele gezamenlijke gesprekken hebben gevoerd, kan de ouders adviseren over de geschikte vorm van de hulpverlening.
2.4
De moeder heeft aangevoerd dat de raad niet alle vragen van het hof volledig heeft beantwoord, zoals de vraag naar de draagkracht van de moeder als zij in Nederland dient te blijven. De raad is op pagina 44/45 van het gewijzigde rapport echter wel ingegaan op deze vraag door aan te geven dat de huidige fysieke en mentale problemen van de moeder ongetwijfeld van invloed zijn op haar draagkracht. Dit geldt wat de raad betreft voor zowel de situatie dat de moeder in Nederland blijft als in de situatie dat zij in Griekenland woont. Het hof is verder van oordeel dat het (omvangrijke en grondige) rapport van de raad met inachtneming van hoor en wederhoor tot stand is gekomen en in voldoende mate ingaat op de vraagstelling van het hof. Daarbij komt dat het hof een eigen taak heeft om te beslissen en dat het hof deze taak niet alleen vervult op grond van het raadsrapport, maar ook op grond van de door partijen ingediende stukken, hun verklaringen ter zitting en eigen onderzoek door het hof ter zitting Op basis van die elementen tezamen komt het hof tot een afgewogen oordeel. Voordat het hof dat oordeel motiveert, geeft het de standpunten van partijen weer.
Standpunt moeder
2.5
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder naar voren gebracht dat het belang van [minderjarige] ermee gediend is dat zij vervangende toestemming krijgt voor verhuizing naar Griekenland. [minderjarige] zal dan minder last hebben van de strijd tussen de ouders, hij zal een moeder hebben die minder belemmerd wordt door haar burn-out en hij heeft dan een familienetwerk om zich heen.
De moeder functioneert nauwelijks in Nederland en zij voelt zich eenzaam. Een deel van haar klachten wordt veroorzaakt door de chronische stress waaraan zij blootstaat en de depressieve gevoelens die zij heeft. Aan deze uitzichtloze situatie wil zij graag een eind maken door terug te keren naar (haar netwerk/familie in) Griekenland, waar zij bovendien kosteloos bij haar moeder kan verblijven met [minderjarige] .
De moeder heeft herhaald bereid te zijn te faciliteren dat [minderjarige] en de vader elkaar in de vakanties zien en zij heeft erop gewezen dat het verschil in aantal dagen dat [minderjarige] en de vader elkaar zien op jaarbasis veertig betreft (de huidige situatie vergeleken met de situatie waarin [minderjarige] in Griekenland woont).
Daarnaast heeft de moeder aangevoerd dat eenhoofdig gezag in het belang van [minderjarige] is. Eenhoofdig gezag maakt dat zaken zoals een paspoort en een vakantie veel sneller geregeld kunnen worden en bovendien dat [minderjarige] minder belast wordt met de strijd tussen zijn ouders. De ouders zijn alleen met grote moeite in staat zaken te regelen en soms lukt dat niet; door de discussies over een paspoort en de vakanties is geen van partijen op vakantie geweest met [minderjarige] .
Standpunt vader
2.6
De vader vreest dat hij [minderjarige] verliest als de moeder met [minderjarige] naar Griekenland vertrekt. Hij heeft er geen vertrouwen in dat [minderjarige] de Roemeense taal machtig zal blijven en hij vreest dat hij [minderjarige] niet meer – of in ieder geval veel minder dan nu – zal zien, alleen al omdat de vader niet zoveel vakantiedagen heeft dat hij elke schoolvakantie kan doorbrengen met [minderjarige] .
De vader ziet niet in hoe de beëindiging van het gezamenlijk gezag kan leiden tot betere communicatie tussen hem en de moeder. Als de moeder het eenhoofdig gezag heeft, zal zij alles alleen kunnen beslissen. De enige oplossing voor een betere communicatie is het inroepen van hulpverlening.
De vader ziet zijn standpunten bevestigd in het raadsrapport en er is dus geen aanleiding om enig onderdeel van de bestreden beschikking van 15 november 2023 te vernietigen, aldus de vader.
Gezag
2.7
Het hof ziet aanleiding eerst het verzoek van de moeder ten aanzien van het gezag te behandelen.
Bij de bestreden beschikking van 15 november 2023 heeft de rechtbank bepaald dat partijen, op verzoek van de vader, voortaan gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast. De moeder wil dat deze beslissing wordt teruggedraaid.
In zijn tussenbeschikking van 9 juli 2024 heeft het hof het wettelijk kader (artikel 1:253c lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)) al geschetst, dat er in het kort op neerkomt dat de hoofdregel gezamenlijk gezag is, tenzij zich een van de in lid 2 genoemde uitzonderingsgronden voordoet. In die beschikking heeft het hof voorts overwogen dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en over veel zaken aangaande [minderjarige] met elkaar in discussie gaan. In die moeizame verstandhouding is nog geen verandering gekomen; niet alleen uit de sindsdien ingekomen stukken, maar ook uit het raadsrapport blijkt dat partijen op zeer gespannen voet met elkaar staan. Dat het de ouders niet goed lukt om op constructieve wijze te overleggen over zaken die [minderjarige] aangaan, bemoeilijkt het nemen van gezagsbeslissingen. De moeder heeft als voorbeelden genoemd het regelen van een paspoort of een vakantie. Toch constateert het hof, evenals de raad, dat partijen er (uiteindelijk) wel in slagen afspraken te maken over belangrijke zaken. Zo hebben zij gezamenlijk een school gekozen voor [minderjarige] , aldus hun verklaring ter zitting. Het hof wil aannemen dat het partijen moeite heeft gekost om het daarover eens te worden, maar wat telt is dat het hun wel is gelukt, hetgeen overigens te prijzen is. Het hof onderschrijft dan ook de overweging van de rechtbank dat de problematische communicatie nog niet wil zeggen dat partijen niet in staat kunnen worden geacht samen gezagsbeslissingen te nemen.
Daarnaast is niet gebleken dat de vader misbruik maakt van zijn gezag in die zin dat hij bijvoorbeeld heeft geweigerd zijn toestemming te geven voor gezagsbeslissingen of dat hij niet heeft meegewerkt aan inschrijvingen. Hoewel partijen dus moeizaam met elkaar communiceren en zij het over veel zaken oneens zijn, is het hof van oordeel dat er desondanks voldoende basis is voor gezamenlijk gezag. Niet gebleken is dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders als het gezamenlijk gezag voortduurt. Wel is naar voren gekomen dat [minderjarige] last heeft van de voortdurende discussies tussen zijn ouders, maar uit het raadsrapport blijkt ook dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt en dat de kinderopvang in hem een vrolijke, ontspannen jongen ziet. Er mag dan ook van worden uitgegaan dat partijen – in het belang van [minderjarige] – met behulp van bijvoorbeeld Ouderschap Blijft zullen werken aan hun gezamenlijk ouderschap zodanig dat [minderjarige] zo min mogelijk belast wordt met meningsverschillen tussen zijn ouders.
Het hof zal de beschikking waarvan beroep van 15 november 2023 dus in zoverre bekrachtigen.
Verhuizing
2.8
De moeder wil met [minderjarige] verhuizen naar Griekenland. In de eerste plaats doet zich de vraag voor welk (wettelijk) criterium dient te worden aangehouden ter beoordeling van het verzoek van de moeder. Zij stelt dat de rechtbank haar beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 1:253c BW en dat het (lichtere) beoordelingskader van artikel 1:247 BW geldt, omdat de moeder ten tijde van de indiening van haar (zelfstandig) verzoek nog alleen het gezag over [minderjarige] had.
Het hof constateert dat de procedure bij de rechtbank is ingeleid door de vader die heeft verzocht om gezamenlijk gezag en om vaststelling van een zorgregeling, waarna de moeder bij zelfstandig verzoek heeft verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met [minderjarige] naar Griekenland en om een omgangsregeling te bepalen. Nu de rechtbank het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten heeft toegewezen, welke beslissing het hof zal bekrachtigen, heeft de rechtbank terecht artikel 1:253c BW gebruikt als wettelijk kader voor het verhuisverzoek van de moeder. Dat de moeder ten tijde van de indiening van haar verzoek nog wel het eenhoofdig gezag over [minderjarige] droeg, maakt dat niet anders.
2.9
Ook ten aanzien van de beoordeling in hoger beroep heeft de moeder het moment van beoordelen aan de orde gesteld. Zij heeft aangevoerd dat het raadsonderzoek (dat in hoger beroep alsnog door het hof is gelast) veel tijd in beslag heeft genomen: tussen de onderzoeksopdracht in de tussenbeschikking van 9 juli 2024 en het gereedkomen van het rapport zijn veertien maanden verstreken. Daarbij komt dat de rechtbank al op 12 juli 2023 een raadsonderzoek had gelast. [minderjarige] was toen één jaar oud en zag de vader een paar uur per week; van een hechtingsrelatie was toen dus nog geen sprake. Het kan niet zo zijn dat de moeder wordt benadeeld in haar procespositie door vertraging die buiten haar toedoen is ontstaan, om welke reden zij heeft verzocht – met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair trial – om haar verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing niet te beoordelen ex nunc maar ex tunc, naar de omstandigheden rond 12 juli 2023.
Het hof heeft begrip voor het standpunt van de moeder, maar uitgangspunt is dat de rechter in hoger beroep nieuwe feiten en stellingen mag betrekken in zijn beoordeling (beoordeling ex nunc). Het belang van [minderjarige] is daarmee in dit geval ook gediend; op die manier kan een zo volledig mogelijke belangenafweging worden gemaakt die recht doet aan de huidige situatie. Daarbij heeft te gelden dat ten tijde van de tussenbeschikking van de rechtbank in ieder geval wel al sprake was van family life tussen [minderjarige] en de vader. Zij hadden omgang met elkaar en er was (bij de vader) de wens tot meer omgang. Anders dan de moeder betoogt, is het dus niet zo dat de hechting alleen door het tijdsverloop na de tussenbeschikking is ontstaan.
Het hof ziet gezien het vorenstaande geen reden om een beoordeling te maken enkel aan de hand van de omstandigheden rond 12 juli 2023.
2.1
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Het hof dient volgens vaste jurisprudentie bij de beoordeling van het geschil alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Bij die afweging staat het belang van [minderjarige] voorop.
2.11
Het belang van de moeder bij een terugkeer naar haar moederland is voor het hof een gegeven; zij heeft in Griekenland haar vrienden en familie wonen (onder wie haar zieke moeder die verzorging behoeft) terwijl zij in Nederland een zeer beperkt netwerk heeft en zij ook overigens niet goed heeft kunnen integreren. De moeder heeft fysieke en mentale klachten waarin zij verbetering verwacht als zij terug is in Griekenland; zij denkt onder andere dat een grotere afstand tot de vader een vermindering van haar stress zal opleveren. Dat zij en de vader nooit een duurzame relatie hebben gehad en dat zij evenmin samen voor het krijgen van een kind hebben gekozen, bemoeilijkt hun ouderschapsrelatie in hoge mate. Het hof kan dan ook begrijpen dat de moeder een diepgewortelde wens heeft en dat zij de noodzaak voelt van een terugkeer naar Griekenland.
Een vertrek van de moeder met [minderjarige] naar Griekenland zou echter ook betekenen dat de vader en [minderjarige] minder contact met elkaar hebben, waarbij de vader vreest dat het contact uiteindelijk verloren zal gaan. Zowel [minderjarige] als de vader heeft belang bij dit contact; daarbij gaat het niet alleen om het samen ondernemen van leuke dingen, maar ook om het betrokken zijn van de vader bij alledaagse activiteiten en om het verder verstevigen van de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] verblijft nu de helft van de tijd bij de vader en hij is aan de vader gehecht.
Naar het oordeel van het hof weegt het belang van [minderjarige] om op te groeien met beide ouders in zijn nabijheid het zwaarst. Door de grote afstand tussen Nederland en Griekenland is het zeer de vraag of de gezonde hechtingsrelatie die tussen [minderjarige] en de vader tot stand is gekomen, behouden kan blijven als [minderjarige] naar Griekenland zou verhuizen. Videobellen is verre van een volledige vervanging voor de halve week die zij nu fysiek samen doorbrengen, vooral niet gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] (die nog vier moet worden). De moeder heeft naast het videobellen compensatie aangeboden in de vorm van bezoeken van [minderjarige] aan de vader in Nederland alsook in de vorm van door haar te bekostigen bezoeken van de vader aan [minderjarige] in Griekenland. Ook hiervoor geldt dat dergelijke bezoeken geen volwaardige vervanging zijn van de dagelijkse opvoedactiviteiten, nog daargelaten dat de vader heeft aangevoerd dat hij alleen al niet voldoende verlofdagen heeft om aan het voorstel van de moeder invulling te kunnen geven. De raad heeft in dit verband ook vraagtekens gezet bij het voorstel van de moeder; de moeder heeft meerdere fysieke en mentale problemen die in ieder geval tot voor kort nog hebben gemaakt dat zij niet elke afspraak kon nakomen en zij heeft geen vrienden of familie bij wie zij in Nederland kan verblijven. Het hof deelt die zorg.
Om de band te behouden die [minderjarige] en de vader nu hebben, en die het hof essentieel acht voor het evenwichtig opgroeien van [minderjarige] alsmede voor het ontwikkelen van zijn identiteit, is het dus nodig dat [minderjarige] in Nederland blijft wonen. [minderjarige] heeft weliswaar ook belang bij een moeder die zich (fysiek en mentaal) goed voelt en die niet te zeer gebukt gaat onder stress, maar dat belang weegt – evenals het belang van de moeder bij het wonen in Griekenland – niet op tegen het hiervoor weergegeven belang van [minderjarige] om op te groeien met beide ouders in zijn naaste omgeving.
Het voorgaande laat onverlet dat het belang van de moeder zwaarder kan wegen dan het belang van [minderjarige] en de vader wanneer het hof van oordeel zou zijn dat er voor de moeder een noodzaak bestaat om (terug) te verhuizen naar Griekenland. Deze noodzaak is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan. Bij dit oordeel neemt het hof in overweging dat is gebleken dat een deel van de klachten van de moeder (volgens de informatie van de huisarts: 90%) tot het verleden behoort na een medische behandeling in mei 2025. De moeder is weer volledig aan het werk en kan dat werk deels thuis doen. Voor zover de moeder nog gezondheidsklachten heeft, is niet gebleken dat het zorgsysteem in Nederland minder goed (en/of duurder) voor haar is dan dat in Griekenland. De moeder ervaarde verder veel druk omdat zij moest werken op de dagen dat [minderjarige] bij haar is (zijn dagen op de kinderopvang vallen samen met de dagen waarop [minderjarige] bij de vader is), maar die situatie is eindig nu [minderjarige] in januari 2026 naar de basisschool zal gaan en dan dus vijf dagen per week een groot deel van de dag van huis is (en mogelijk op bepaalde dagen gebruik zal kunnen maken van buitenschoolse opvang). Ook overigens is niet gebleken dat er een noodzaak voor de moeder is om naar Griekenland te verhuizen met [minderjarige] .
Het voorgaande brengt met zich dat de belangen van [minderjarige] en de vader bij het niet verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing naar Griekenland onder de huidige omstandigheden zwaarder wegen dan het belang van de moeder bij het wel verkrijgen van die toestemming. Het hof zal de beschikking waarvan beroep van 15 november 2023 ook in zoverre bekrachtigen.
Zorgregeling
2.12
In zijn rapport heeft de raad het volgende concrete voorstel gedaan ter invulling van een zorgregeling waarbij de zorg voor [minderjarige] door de ouders bij helfte wordt gedeeld.
[minderjarige] verblijft van zondagochtend 10.00 uur tot en met woensdag naar de kinderopvang bij de vader en woensdag gaat hij vanuit de kinderopvang tot en met zondagochtend naar de moeder. Wanneer hij vier jaar wordt, word de woensdag bij helfte verdeeld (waarbij, zo begrijpt het hof het voorstel, [minderjarige] de ene week bij de vader verblijft tot woensdag naar school en uit school door de moeder wordt opgehaald en de andere week door de vader op donderdagochtend naar school wordt gebracht en uit school door de moeder wordt opgehaald). De (school)vakanties en feestdagen worden als volgt verdeeld:
  • De zomervakanties worden bij helfte verdeeld, waarbij als [minderjarige] naar school gaat, hij de eerste drie weken bij de moeder verblijft, en de daaropvolgende drie weken bij de vader. De overdrachtsmomenten zijn op vrijdagmiddag 17.00 uur.
  • De vakanties van twee weken worden bij helfte verdeeld, waarbij [minderjarige] in het verlengde van het weekend bij de ene of de andere ouder de eerste week verblijft. Het overdrachtsmoment vindt plaats op vrijdagmiddag 17.00 uur.
  • [minderjarige] verblijft op zijn verjaardag elk jaar om en om bij de ene ouder of de andere ouder (van 10.00 tot 19.00 uur).
  • [minderjarige] verblijft op de verjaardagen van ouders bij desbetreffende ouder (van 10.00 tot 19.00 uur). Hetzelfde geldt voor Vader- en Moederdag.
2.13
De vader heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de zorgregeling zoals voorgesteld door de raad over te nemen in de beschikking.
2.14
De moeder heeft geen concreet verzoek gedaan ten aanzien van de zorgregeling, maar zij heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij ook een vol weekend met [minderjarige] wil kunnen doorbrengen, om welke reden zij heeft voorgesteld dat [minderjarige] op maandag en dinsdag bij de vader is, van woensdag tot en met vrijdag bij haar en dat de ouders het weekend wisselen.
2.15
Het hof zal de zorgregeling vaststellen zoals die is geadviseerd door de raad. Dat advies komt voor de periode tot 14 januari 2026 (als [minderjarige] vier jaar wordt) overeen met de zorgregeling zoals die nu op basis van de bestreden beschikking van 15 november 2023 door partijen wordt uitgevoerd. Deze regeling verloopt goed en [minderjarige] is eraan gewend.
Zodra [minderjarige] vier jaar wordt en naar school gaat, wordt de woensdag door de ouders bij helfte gedeeld.
Ook de door de raad geadviseerde vakantieregeling zal het hof overnemen nu deze regeling het hof in het belang van [minderjarige] voorkomt; de vader heeft bovendien verzocht de regeling over te nemen en de moeder heeft ten aanzien van de vakanties en feestdagen geen verzoek gedaan.
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep wel een verzoek gedaan om de reguliere regeling zodanig in te richten dat zij ook om de week een vol weekend met [minderjarige] heeft. Gezien het late moment heeft de vader daarop niet meer goed kunnen reageren. Het hof gaat er dan ook vanuit dat partijen, na de duidelijkheid die zij met deze beschikking krijgen, met behulp van de geadviseerde hulpverlening (zoals bijvoorbeeld het traject Ouderschap Blijft) zelf afspraken zullen maken als zij een andere inrichting van de zorgregeling wensen.
2.16
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummers 200.337.646/01 (gezag en zorgregeling) en 200.337.648/01 (vervangende toestemming verhuizing)
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover is bepaald dat partijen gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] worden belast;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met [minderjarige] naar Griekenland is afgewezen;
vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de zorgregeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt de volgende zorgregeling:
[minderjarige] verblijft van zondagochtend 10.00 uur tot en met woensdag naar de kinderopvang bij de vader en woensdag gaat hij vanuit de kinderopvang tot en met zondagochtend naar de moeder;
Wanneer [minderjarige] vier jaar wordt, wordt de woensdag bij helfte verdeeld (waarbij [minderjarige] de ene week bij de vader verblijft tot woensdag naar school en uit school door de moeder wordt opgehaald en de andere week door de vader op donderdagochtend naar school wordt gebracht en uit school door de moeder wordt opgehaald);
De zomervakanties worden bij helfte verdeeld, waarbij als [minderjarige] naar school gaat, [minderjarige] de eerste drie weken bij de moeder verblijft, en de daaropvolgende drie weken bij de vader. De overdrachtsmomenten zijn op vrijdagmiddag 17.00 uur;
De vakanties van twee weken worden bij helfte verdeeld, waarbij [minderjarige] in het verlengde van het weekend bij de ene of de andere ouder de eerste week verblijft. Het overdrachtsmoment vindt plaats op vrijdagmiddag 17.00 uur;
[minderjarige] verblijft op zijn verjaardag elk jaar om en om bij de ene ouder of de andere ouder (van 10.00 tot 19.00 uur);
[minderjarige] verblijft op de verjaardagen van ouders bij desbetreffende ouder (van 10.00 tot 19.00 uur);
[minderjarige] verblijft op Vader- en Moederdag bij de desbetreffende ouder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
In de zaak met zaaknummer 200.337.649/01 (kinderalimentatie)
houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de onder 1.6 genoemde stukken.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F. Kleefmann, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.