ECLI:NL:GHAMS:2025:3414

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.353.274/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en draagkracht in hoger beroep met betrekking tot minderjarige en jongmeerderjarige

In deze zaak gaat het om de wijziging van de kinderalimentatie die de man moet betalen voor zijn kinderen, [minderjarige 1] en [jongmeerderjarige]. De rechtbank Amsterdam had eerder bepaald dat de man € 275,- per maand moest betalen voor beide kinderen, met ingang van 27 februari 2024. De man is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de ingangsdatum van de alimentatie aangepast naar 23 mei 2024, rekening houdend met de geboorte van de jongste zoon van de man in oktober 2024. Het hof heeft de behoefte van de kinderen opnieuw berekend en vastgesteld dat de man € 275,- per maand voor [minderjarige 1] en € 152,- per maand voor [jongmeerderjarige] moet betalen. De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben verweer gevoerd en verzocht om de eerdere beschikking te bekrachtigen. Het hof heeft de draagkracht van de man beoordeeld en vastgesteld dat deze ontoereikend is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De man heeft schulden en zijn huidige echtgenote kan momenteel niet bijdragen aan de kosten. Het hof heeft de alimentatiebedragen aangepast en de beschikking vernietigd voor wat betreft de ingangsdatum en de hoogte van de bijdrage voor [jongmeerderjarige]. De uiteindelijke beslissing is dat de man met ingang van 23 mei 2024 een bijdrage van € 275,- per maand voor [minderjarige 1] en € 152,- per maand voor [jongmeerderjarige] moet betalen, met toekomstige indexering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.274/01
zaaknummer rechtbank: C/13/746366 / FA RK 24-961
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,
en

1.[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

2. [jongmeerderjarige] ,

hierna: de jongmeerderjarige of [jongmeerderjarige] ,
beiden wonende te [plaats A] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaat: mr. K.R. Lieuw On te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] (19 jaar) en door hem te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] (14 jaar).
1.2
De rechtbank Amsterdam heeft de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] bepaald op € 275,- per maand met ingang van 27 februari 2024 en de door hem aan [jongmeerderjarige] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie bepaald op € 275,- per maand, eveneens met ingang van 27 februari 2024.
De man is het daarmee niet eens.
1.3
Het hof gaat uit van een andere ingangsdatum en heeft een nieuwe berekening van de behoefte van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] gemaakt. Bij het bepalen van de draagkracht van de man houdt het hof vanaf 25 oktober 2024 rekening met de geboorte van zijn jongste zoon. De hoogte van de alimentatie voor [minderjarige 1] stelt het hof op hetzelfde bedrag vast als de rechtbank, maar de bijdrage die de man voor [jongmeerderjarige] moet betalen, wordt op een lager bedrag vastgesteld.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 7 april 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 11 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben op 27 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 9 september 2025, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vrouw en [jongmeerderjarige] van 19 september 2025, met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 3 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en H. Barzizaoua, tolk in de Marokkaanse taal;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
[jongmeerderjarige] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De advocaat van de vrouw en [jongmeerderjarige] heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn gehuwd [in] 1998 te Marokko. Hun huwelijk is op 12 juni 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2012 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- [jongmeerderjarige] , geboren te [plaats A] [in] 2006;
- [minderjarige 1] , geboren te [plaats A] [in] 2011.
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige 1] . De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.
3.3
Partijen hebben beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit.
3.4
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2012 is het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] afgewezen op de grond dat de man geen draagkracht had.
3.5
De man is in 2022 hertrouwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). Zij hebben samen een zoon gekregen, te weten [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2024.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de vrouw, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] bepaald op € 275,- per maand met ingang van 27 februari 2024, en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] bepaald op € 275,- per maand, eveneens met ingang van 27 februari 2024.
4.2
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de door hem te betalen (kinder)alimentatie ten behoeve van de kinderen vast te stellen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, met ingang van 11 maart 2025, althans een zodanige datum als het hof juist acht.
4.3
De vrouw en [jongmeerderjarige] verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat partijen zowel de Nederlandse nationaliteit als de Marokkaanse nationaliteit bezitten, heeft de zaak een internationaal karakter. Partijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Aan de Nederlandse rechter komt daarom rechtsmacht toe (artikel 3 sub a en sub b Alimentatieverordening).
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. Partijen hebben daartegen niet gegriefd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
5.2
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. De door het hof gemaakte berekeningen in het kader van de (kinder)alimentatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit.
Ingangsdatum (kinder)alimentatie
5.3
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de man te betalen (kinder)alimentatie bepaald [in] 2024, de datum waarop [jongmeerderjarige] 18 jaar is geworden. De man stelt dat als ingangsdatum moet gelden de datum van de beschikking van de rechtbank, te weten 11 maart 2025. De man heeft schulden. Hij is deze weliswaar aan het aflossen, maar als hij daarnaast ook een (kinder)bijdrage aan de vrouw en [jongmeerderjarige] dient te voldoen, houdt hij naar eigen zeggen geen leefgeld meer over. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht de ingangsdatum van de alimentatie heeft vastgesteld [in] 2024. Vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift (7 februari 2024) wist de man dat hij een kinderbijdrage zou moeten gaan betalen en had hij daarmee rekening kunnen en moeten houden. De door de man gestelde schulden rechtvaardigen volgens de vrouw geen latere ingangsdatum, omdat niet is gebleken dat sprake was van niet verwijtbare, niet vermijdbare schulden.
5.4
Het hof overweegt als volgt.
In eerste aanleg heeft de man onbetwist aangevoerd dat hij (niet eerder dan) op 23 mei 2024 bericht van de rechtbank heeft ontvangen, dat de vrouw op 9 februari 2024 een verzoekschrift tot vaststelling van kinderalimentatie bij de rechtbank heeft ingediend. Pas vanaf dat moment was de man ermee bekend, of had hij redelijkerwijs ermee bekend kunnen zijn, dat de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van hem verlangde. Het hof zal daarom de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage bepalen op 23 mei 2024. De omstandigheid dat de man op schulden aflost, is geen reden de ingangsdatum op een later moment vast te stellen. Wel zal het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man beoordelen of en zo ja met welk bedrag met aflossing op schulden rekening moet worden gehouden.
Behoefte [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1]
5.5
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de behoefte van [jongmeerderjarige] bepaald op € 503,- per maand en de behoefte van [minderjarige 1] op € 480,- per maand voor het jaar 2024. De rechtbank heeft deze behoefteberekening gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen (hierna ook: NBI) van de man, dat zij heeft vastgesteld op € 3.022,- per maand in 2024.
De man stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een te hoog NBI aan zijn zijde. Zijn werkelijke netto besteedbaar inkomen bedroeg volgens hem in 2024 € 2.728,- netto per maand, waardoor de behoefte van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] lager is dan de rechtbank heeft vastgesteld. De vrouw en [jongmeerderjarige] hebben dit betwist.
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Uitgangspunt bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 1] en [jongmeerderjarige] is de mate van welstand waarin het gezin tijdens de samenleving van partijen heeft geleefd. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) vormt bij het bepalen van die welstand een belangrijk aanknopingspunt. Partijen zijn in 2013 gescheiden en gelet op het tijdsverloop en het ontbreken van stukken heeft de rechtbank aangesloten bij de inkomensgegevens van partijen in 2024. Dit is in hoger beroep niet in geschil en het hof zal daarom ook van deze gegevens uitgaan.
5.7
Voor de bepaling van het NBGI neemt het hof de volgende inkomensgegevens van partijen als uitgangspunt. Uit de overgelegde jaaropgave over 2024 blijkt dat de man in dat jaar een bruto inkomen van € 38.669,- heeft genoten. In tegenstelling tot de man houdt het hof bij de berekening van zijn NBI rekening met de (belasting)tarieven over 2024 (in plaats van 2025). Het hof komt uit op een NBI van € 2.693,- per maand.
Uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde jaaropgave blijkt dat zij in 2024 een uitkering op grond van de Participatiewet van € 19.291,- bruto heeft ontvangen, hetgeen leidt tot een NBI van € 1.294,- per maand. Partijen zijn beiden ervan uitgegaan dat ook met dit inkomen van de vrouw en het door haar ontvangen kindgebondenbudget rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de behoefte van de kinderen. Omdat de belangen van de kinderen hiermee zijn gediend, zal ook het hof hiermee rekening houden. Het kindgebondenbudget waarop de vrouw aanspraak kon maken, bedroeg vanaf maart 2024 € 550,- per maand, volgens een door het hof gemaakte proefberekening. Het NBGI van partijen in 2024 bedroeg daarmee (€ 2.693 + € 1.294 + € 550 =) € 4.537,- per maand.
[minderjarige 1]
5.8
Uitgaande van het hiervoor genoemde gezinsinkomen wordt de behoefte van [minderjarige 1] in 2024 overeenkomstig de Nibud-tabellen (uitgaande van twee kinderen) vastgesteld op (€ 1.070 / 2=) € 535,- per maand.
[jongmeerderjarige]
5.9
Voor de bepaling van de behoefte van [jongmeerderjarige] zal het hof, net als de rechtbank, aansluiting zoeken bij de WSF-norm voor studerenden (MBO), aangezien dat in hoger beroep niet in geschil is. De WSF-norm voor een thuiswonende student aan het beroepsonderwijs bedroeg in 2024 afgerond € 726,- per maand. Het hof zal dit bedrag tot uitgangspunt nemen. Ter zitting is gebleken dat [jongmeerderjarige] naast de basisbeurs ook een aanvullende beurs ontvangt. Deze zal het hof op de WSF-norm in mindering brengen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [jongmeerderjarige] die zal moeten terugbetalen. In het normbedrag is al rekening gehouden met de zorgtoeslag, zodat het hof dit bedrag niet nog een keer in mindering zal brengen.
Het hof gaat uit van een basisbeurs van € 100,- en een aanvullende beurs van € 408,- per maand ontvangt. De resterende behoefte van [jongmeerderjarige] kan hiermee worden becijferd op (€ 726 -/- € 100 -/- € 408 =) € 218,- per maand.
5.1
Het hof zal geen rekening houden met een eventuele stagevergoeding. Daargelaten dat nog onzeker is of [jongmeerderjarige] een stagevergoeding zal krijgen, zal geen sprake van structurele inkomsten van meer dan geringe omvang. Het hof zal dan ook uitgaan van een behoefte in 2024 van € 218,- per maand.
[minderjarige 2]
5.11
De man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat hij is hertrouwd en tijdens dat huwelijk [in] 2024 een kind is geboren, te weten [minderjarige 2] .
Volgens vaste rechtspraak (vgl. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3169) moet bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige rekening worden gehouden met alle onderhoudsverplichtingen jegens minderjarige kinderen. Daarbij geldt dat alle kinderen, ongeacht uit welk huwelijk of relatie zij zijn geboren, in beginsel gelijk worden behandeld (art. 1:395 BW in verbinding met art. 1:397 lid 2 BW). Om deze reden zal het hof ook de behoefte van [minderjarige 2] berekenen.
5.12
Hierbij gaat het hof uit van de inkomensgegevens over 2024, het jaar waarin [minderjarige 2] is geboren. Zoals eerdergenoemd blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave over 2024 dat hij in dat jaar een bruto jaarinkomen van € 38.669,- heeft genoten en een NBI had van € 2.693,- per maand. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn huidige echtgenote ten tijde van de geboorte van [minderjarige 2] niet over een inkomen beschikte. Uitgaande van het inkomen van de man in 2024, wordt de behoefte van [minderjarige 2] in 2024 overeenkomstig de Nibud-tabellen (uitgaande van een kind) vastgesteld op € 343,- per maand. Het hof houdt in deze berekening geen rekening met de door de man te betalen bijdrage voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] , omdat ten tijde van de geboorte van [minderjarige 2] geen sprake was van het daadwerkelijk betalen van een bijdrage.
Draagkracht partijen, twee periodes
5.13
Het feit dat de man inmiddels opnieuw een gezin heeft gevormd en samen met zijn huidige echtgenote [minderjarige 2] heeft gekregen, brengt mee dat een deel van zijn draagkracht bestemd is voor [minderjarige 2] . Het hof zal daarom twee periodes onderscheiden:
1. de periode van 23 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024, waarin de man onderhoudsplichtig was jegens [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] , en
2. de periode vanaf 1 november 2024, waarin de man onderhoudsplichtig is jegens drie kinderen.
Draagkracht vrouw
5.14
De vrouw, bij wie de kinderen het hoofverblijf hebben, ontvangt (in ieder geval vanaf de ingangsdatum) een uitkering op grond van de Participatiewet. Het hof neemt daarom, net als de rechtbank en in overeenstemming met de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, in beide periodes geen draagkracht aan bij de vrouw.
Draagkracht man
5.15
De man is het niet eens met de door de rechtbank gemaakte berekening van zijn draagkracht. Niet alleen moet rekening worden gehouden met [minderjarige 2] , maar ook is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een woonlastenforfait van 15% in plaats van 30%. De man voert aan dat zijn huidige echtgenote, met wie hij [in] 2022 is gehuwd en sinds 9 oktober 2023 samenwoont, geen inkomen heeft, nog bezig is met haar inburgering en daarom niet kan bijdragen in de woonlasten. Verder voert de man aan dat rekening moet worden gehouden met een aflossing op een schuld aan de Belastingdienst. De vrouw voert gemotiveerd verweer.
5.16
Ten aanzien van de grief gericht tegen het woonlastenforfait van 15% overweegt het hof als volgt. Volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen (de zogeheten Tremanormen) wordt bij de berekening van de draagkracht in beginsel uitgegaan van een woonlastenforfait van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Indien de alimentatieplichtige samenwoont met een partner die naar verwachting in de woonlasten kan bijdragen, kan dat reden zijn te volstaan met een forfaitair percentage van 15%. Het hof is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat zijn echtgenote (voorlopig) niet voldoende inkomsten kan verwerven en daarom nog niet kan bijdragen in de woonlasten, gelet op het feit dat zij de Nederlandse taal (nog) niet machtig is en nog een inburgeringscursus moet volgen. Het hof zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de man op dit moment uitgaan van het standaardforfait van 30% van zijn netto besteedbaar inkomen. Wel zal het hof hierna nog beoordelen of er aanleiding is van de werkelijke woonlasten van de man uit te gaan.
5.17
De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij over 2022 zorgtoeslag en over 2023 huurtoeslag moet terugbetalen tot een bedrag van in ieder geval € 1.656,-. Ook heeft hij stukken overgelegd waaruit een aflossing van € 50,- per maand blijkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn in beginsel alle schulden van invloed op de draagkracht. Als de schulden onnodig zijn aangegaan of de mogelijkheid bestaat om zich ervan te bevrijden, kunnen dat redenen zijn om aan de schulden geen of minder gewicht toe te kennen. De stelling van de man dat deze schulden niet vermijdbaar of verwijtbaar zijn, heeft de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Het hof zal daarom vanaf de ingangsdatum met een aflossing van € 50,- per maand rekening houden. Voor zover de man heeft betoogd dat hij nog andere schulden heeft, zoals kosten in verband met de inburgering van zijn echtgenote, heeft hij dit onvoldoende met stukken onderbouwd. Het hof zal daarom met deze gestelde schulden geen rekening houden.
Periode van 23 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024
5.18
Bij de bepaling van de draagkracht van de man in de periode van 23 mei 2024 tot en met 31 oktober 2024 zal het hof uitgaan van zijn loon volgens de jaaropgave 2024 van € 38.669,- bruto per jaar.
Dit leidt, rekening houdend met heffingskorting en arbeidskorting, tot een NBI van € 2.693,-per maand en een draagkracht van de man van € 396,- per maand.
5.19
De totale behoefte van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] bedraagt gezamenlijk € 753,- (€ 218,- + € 535,-) per maand. De draagkracht van de man is ontoereikend om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de man 30% van zijn NBI aan woonlasten mag uitgeven (de ‘forfaitaire woonlast’), conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. In de beschikking van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het berekenen van de kinderalimentatie met forfaitaire woonlasten op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Als niet volledig in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien én er aanwijzingen zijn dat (1) de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder (2) aanmerkelijk en (3) duurzaam lager zijn dan het forfaitaire bedrag, zal de rechter echter ambtshalve moeten nagaan of een berekening van de draagkracht op basis van de werkelijke woonlasten leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage. Als dat het geval is, moet hij die hogere bijdrage opleggen of motiveren waarom hij dat niet doet. Het hof heeft aanwijzingen dat de werkelijke woonlasten van de man aanmerkelijk en duurzaam lager zijn dan het forfaitaire bedrag. Immers, uitgaande van de forfaitaire woonlast zou met een bedrag van € 808,- per maand rekening moeten worden gehouden. De werkelijke woonlast van de man bedraagt € 813,- per maand. De man heeft ter zitting in hoger beroep echter verklaard € 188,- per maand aan huurtoeslag te ontvangen, zodat zijn werkelijke woonlast € 625,- per maand bedraagt. Omdat het hier gaat om een aanmerkelijk en duurzaam lagere woonlast, neemt het hof deze woonlast als uitgangspunt. Dit brengt mee dat de draagkracht van de man € 524,- per maand bedraagt. Het hof zal de beschikbare draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen verdelen. Dit komt neer op een aandeel van de man van ((€ 218 / € 753) x € 524 =) € 152,- per maand ten behoeve van [jongmeerderjarige] en van ((€ 535 / € 753) x € 524 =) € 372,- per maand ten behoeve van [minderjarige 1] .
5.2
De rechtbank heeft in eerste aanleg de bijdrage voor [minderjarige 1] vastgesteld op € 275,- per maand, dat wil zeggen een lagere bijdrage dan waarop het hof het aandeel van de man berekent. Alleen de man heeft hoger beroep ingesteld. De regel is, dat wanneer geen incidenteel hoger beroep is ingesteld, degene die hoger beroep instelt niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren dan waarin hij door de bestreden beschikking is gebracht (het verbod van “reformatio in peius”). Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de bijdrage voor [minderjarige 1] over de periode van 23 mei 2024 tot 1 november 2024 betreft.
Periode vanaf 1 november 2024
5.21
Het hof heeft in r.o. 5.16 geoordeeld dat geen rekening wordt gehouden met een bijdrage van de echtgenote van de man in de woonlasten. Dat betekent niet dat van zijn echtgenote in het geheel niet kan worden verwacht dat zij inkomsten verwerft. Ook zonder goede beheersing van de Nederlandse taal moet het mogelijk zijn enige inkomsten te verwerven. De man werkt niet voltijds, zodat hij op momenten dat de vrouw werkt, de zorg voor [minderjarige 2] voor zijn rekening kan nemen. Omdat anderzijds de mogelijkheden voor de echtgenote beperkt zullen zijn, zal het hof haar een zodanig fictief inkomen toekennen, dat zij voor de helft in de behoefte van [minderjarige 2] kan voorzien.
5.22
De draagkracht van de man per 1 november 2024 is gelijk aan die per 23 mei 2024, derhalve € 524,- per maand. Het hof houdt ook in deze situatie rekening met de werkelijke woonlasten van de man.
5.23
De behoefte van de minderjarigen bedraagt voor [jongmeerderjarige] € 218,- per maand, voor [minderjarige 1] € 535,- per maand en voor [minderjarige 2] (de helft van € 343,-, dus) € 172,- per maand. De totale behoefte van de drie minderjarigen bedraagt derhalve € 925,- per maand. Omdat de draagkracht van de man ontoereikend is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien en gelet op het verschil in behoefte van de kinderen, zal het hof de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen verdelen. Deze verdeling leidt ertoe dat de man voor [jongmeerderjarige] ((€ 218 / € 925) x € 524 =) € 123,- per maand, voor [minderjarige 1] ((€ 535 / € 925) x € 524 =) € 303,- per maand en voor [minderjarige 2] ((€ 172 / € 925) x € 524 =) € 97,- per maand ter beschikking heeft. Ook in deze situatie geldt dat de man door zijn hoger beroep niet in een slechtere situatie mag komen te verkeren dan waarin hij door de bestreden beschikking is gebracht. Het hof zal daarom de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] ook vanaf 1 november 2024 vaststellen op € 275,- per maand.
Indexering
5.24
Hoewel het hof uitgaat van een latere ingangsdatum voor de alimentatie dan de rechtbank, ligt deze nog steeds in 2024. Omdat het hof vandaag uitspraak doet, gaat de wettelijke indexering op grond van artikel 1:402a BW pas in op 1 januari 2026. Het hof zal daarom ambtshalve de door de man te betalen bedragen met ingang van 1 januari 2025 verhogen gelijk met het percentage dat van toepassing zou zijn als de wettelijke indexering wel zou gelden met ingang van 1 januari 2025. Dit betekent dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2025 voor [jongmeerderjarige] wordt vastgesteld op € 131,- per maand en voor [minderjarige 1] op € 293,- per maand.
5.25
Het hof zal de beschikking vernietigen voor wat betreft de ingangsdatum en de door de man te betalen bijdrage aan [jongmeerderjarige] . Gebleken is dat de man nog niet aan de verplichting tot het betalen van alimentatie heeft voldaan. Het hof hoeft dan ook geen oordeel te geven over een eventuele terugbetalingsverplichting.
5.26
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van 27 februari 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 275,- per maand aan de vrouw moet betalen en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 275,- per maand aan [jongmeerderjarige] en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 23 mei 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van € 275,- (TWEEHONDERDVIJFENZEVENTIG EURO) per maand moet betalen en met ingang van 1 januari 2025 een bijdrage van € 293,- (TWEEHONDERDDRIEËNNEGENTIG) per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan [jongmeerderjarige] met ingang van 23 mei 2024 een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie moet betalen van € 152,- (HONDERDTWEEËNVIJFTIG EURO) per maand, met ingang van 1 november 2024 een bijdrage van € 123,- (HONDERDDRIEËNTWINTIG EURO) per maand en met ingang van 1 januari 2025 een bijdrage van € 131,- (HONDERDEENENDERTIG EURO) per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.F.E. Geerlings, M.C. Schenkeveld en E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.