ECLI:NL:GHAMS:2025:3437

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.353.150/01 en 200.353.152/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bewind en mentorschap van een 96-jarige betrokkene met financiële en geestelijke kwetsbaarheid

In deze zaak gaat het om de vraag of het instellen van bewind en mentorschap noodzakelijk is voor een 96-jarige betrokkene, die verblijft in een woonzorgcentrum. De kantonrechter in Amsterdam heeft op 6 januari 2025 op verzoek van de kinderen van de betrokkene, [verweerster] en [verweerder], bewind en mentorschap ingesteld, waarbij Beaufin B.V. als bewindvoerder en mentor is aangesteld. De verzoeker, [verzoeker], is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Hij stelt dat hij als zoon van de betrokkene de meest aangewezen persoon is om als bewindvoerder en mentor op te treden. Het hof heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen. Het hof heeft de bestreden beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd, omdat er gegronde redenen zijn om een professionele bewindvoerder en mentor aan te stellen. De verzoeker heeft onvoldoende bewijs geleverd voor zijn claims en er zijn aanwijzingen van financieel misbruik door hem. Het hof concludeert dat de huidige maatregelen in het belang van de betrokkene zijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.353.150/01 (bewind) en 200.353.152/01 (mentorschap)
zaak-/rekestnummers rechtbank: 11473087 EB VERZ 25-22 en 11473092 EB VERZ 25-23
Beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaken van
[verzoeker]
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. C.A. Offermans te Roermond
en

1.[verweerster] ,

wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: [verweerster] ,

2.[verweerder] ,

wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. C.A. Bouw te Amsterdam
Als overige belanghebbenden in deze zaak zijn door het hof aangemerkt:
- [de betrokkene ] , wonende te [plaats C] , gemeente [gemeente 2] , hierna te noemen: de betrokkene;
- [belanghebbende ] , wonende te [plaats B] , hierna te noemen: [belanghebbende ] ,
- Beaufin B.V., h.o.d.n. Beaufin bewindvoering & budgetbeheer te Amsterdam, hierna te noemen: de bewindvoerder respectievelijk de mentor.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of het instellen van bewind en mentorschap noodzakelijk is voor de betrokkene en, zo ja, wie de maatregelen als bewindvoerder en mentor moet uitvoeren.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft bij beschikking van 6 januari 2025 op verzoek van [verweerster] en [verweerder] de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke en/of geestelijke toestand. Tevens is ten behoeve van de betrokkene bij beschikking van de kantonrechter van 6 januari 2025 een mentorschap ingesteld. Deze beide beschikkingen zullen hierna de bestreden beschikkingen worden genoemd. Tot bewindvoerder en mentor is benoemd Beaufin B.V. [verzoeker] is het hier niet mee eens en wenst dat de bestreden beschikkingen vernietigd worden. Als het bewind en mentorschap in stand blijven dan wil hij zelf als bewindvoerder en mentor worden benoemd.
1.3
Het hof zal beide beroepen in één beschikking behandelen en beslissen vanwege de onderlinge samenhang.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
[verzoeker] is op 3 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. Hij heeft tegen de onderbewindstelling en het mentorschap afzonderlijk een hoger beroepschrift ingediend.
2.2
[verweerster] en [verweerder] hebben op 18 juni 2024 in beide zaken een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- op 23 april 2025 van de zijde van [verzoeker] een productie;
- op 4 september 2025 een aanvulling zienswijze van de bewindvoerder;
- op 3 oktober 2025 van de zijde van [verzoeker] producties;
- op 16 oktober 2025 van de zijde van [verweerster] en [verweerder] een reactie met bijlagen;
- op 29 oktober 2025 van de zijde van [verzoeker] een productie.
2.4
De zitting in beide zaken heeft op 29 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- mr. C.A. Offermans;
- [verweerster] en [verweerder] , bijgestaan door mr. E.J. van Gils, kantoorgenoot van mr. C.A. Bouw te Amsterdam;
- de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens Beaufin;
- [belanghebbende ] ;
- mevrouw [naam 3] .
[verzoeker] en de betrokkene zijn, ondanks hiertoe te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Mr. Offermans heeft pleitaantekeningen overgelegd.
2.5
Het hof ziet geen aanleiding tot het horen van de betrokkene nu uit de stukken is gebleken is het niet zinvol haar alsnog te horen. Partijen hebben ter zitting laten weten het hiermee eens te zijn, nu het horen van de betrokkene naar verwachting te belastend voor haar zal zijn.

3.De feiten

3.1
De betrokkene is geboren [in] 1929 en is 96 jaar oud. Zij verblijft sinds 8 januari 2025 in het woonzorgcentrum [X] in [plaats C] .
3.2
[verzoeker] , [verweerster] en [belanghebbende ] zijn de kinderen van de betrokkene. [verweerder] is de kleinzoon van de betrokkene en de zoon van [verweerster] .
3.3
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 1 oktober 2015 is het toenmalige verzoek van [verweerster] en [belanghebbende ] om de betrokkene onder bewind te stellen, afgewezen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikkingen heeft de kantonrechter de goederen die de betrokkene toebehoren of zullen toebehoren onder bewind gesteld als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand en ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld, met benoeming van de bewindvoerder en de mentor als zodanig.
4.2
[verzoeker] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen:
- primair: het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap (alsnog) af te wijzen;
- subsidiair: hem te benoemen tot bewindvoerder en mentor ten behoeve van de betrokkene, met (naar het hof aanneemt) ontslag van de huidige bewindvoerder en mentor.
4.3
[verweerster] en [verweerder] verzoeken het hoger beroep in beide zaken ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie voorkomt.
4.4.
Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen en legt hierna uit waarom.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader bewind
5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.2
Op grond van artikel 1:435 lid 3 BW dient de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene te volgen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Het vierde lid van dit artikel bepaalt kort gezegd dat, tenzij het derde lid wordt toegepast, bij voorkeur de echtgenoot tot bewindvoerder wordt benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van de ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.
Standpunt [verzoeker]
5.3
voert aan dat er geen spoedeisend belang was om het bewind terstond uit te spreken zonder de betrokkene en hem te horen. De kantonrechter heeft hiermee in strijd gehandeld met de aanbevelingen meerderjarigenbewind en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
5.4
Verder voert hij aan dat er geen reden voor het bewind is, omdat de betrokkene [verzoeker] in februari 2020 door middel van een wilsverklaring als haar gevolmachtigde heeft benoemd en zij hem in maart 2020 een bankvolmacht heeft gegeven. Bovendien heeft de betrokkene de intentie gehad om [verzoeker] door middel van een levenstestament te benoemen tot haar algemeen gevolmachtigde. Hij is derhalve in staat alle zaken voor de betrokkene te regelen. De betrokkene was in 2020 nog volledig in staat haar wil te bepalen, dat blijkt (onder andere) uit het zorgplan van Cordaan, het feit dat zij een levenstestament wilde opstellen, zij een hypotheek op haar huis vestigde en uit haar medische testen naar voren kwam dat de resultaten opvallend goed waren.
5.5
[verzoeker] voert verder aan dat geen sprake is van financieel misbruik door hem van de betrokkene, zoals [verweerster] en [verweerder] beweren. Volgens [verzoeker] stond de betrokkene in de door hen genoemde jaren niet onder bewind, was zij handelingsbevoegd en kon zij zelf over haar financiën beschikken; de uitgaven zijn dan ook door haarzelf bewust gedaan. Bovendien zijn in nagenoeg dezelfde periode en daarna ook soortgelijke bedragen van [verzoeker] , zijn partner en Mothers Invest B.V. naar de betrokkene gegaan. In genoemde periode liepen zakelijk en privé door elkaar heen. De bedragen gingen over en weer vanwege het opknappen van het huisje van de betrokkene in Frankrijk en het halen en brengen van de betrokkene van en naar haar huis aldaar. Ook werden in die periode voor de onderneming van [verzoeker] door de betrokkene de kosten voor speelgoed voorgeschoten vanwege de inkoop voor luchtvaartshows waar de onderneming vaste standhouder was. Voorts voert [verzoeker] aan dat in de periode vanaf 1 januari 2021 tot 29 januari 2025 de creditcard van de betrokkene nagenoeg uitsluitend is gebruikt voor boodschappen. Als het bewind in stand blijft dan wenst [verzoeker] als bewindvoerder te worden aangesteld. Hij wijst in dat verband erop dat hij de zoon is van de betrokkene en daarom, in het kader van de toepasselijke wettelijke bepalingen, de meest aangewezen persoon hiervoor is, nu geen sprake is van een echtgenoot van de betrokkene. In ieder geval gaat hij, als familielid, voor op een professionele bewindvoerder. Daarbij moet geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de betrokkene in 2015 bij de kantonrechter heeft aangegeven dat indien en voor zover een bewindvoerder nodig wordt, een professional dient te worden benoemd. Volgens [verzoeker] is, als hij als bewindvoerder wordt aangesteld, geen sprake van belangenverstrengeling omdat de betrokkene en hij beiden aandeelhouders zijn van Mothers Invest B.V. [verzoeker] stelt dat dit juist een argument voor zijn benoeming tot bewindvoerder is, aangezien hij als geen ander weet hoe het beste kan worden omgesprongen met de aandelen van de betrokkene in Mothers lnvest B.V.
Standpunt [verweerster] en [verweerder]
5.6
[verweerster] en [verweerder] voeren allereerst aan dat de kantonrechter terecht terstond het bewind heeft ingesteld op basis van de op dat moment voorhanden zijnde stukken. Er is aan alle processuele eisen voldaan omdat [verzoeker] en de betrokkene daarna nog zijn gehoord. Er was bovendien een spoedeisend belang. De spoed met betrekking tot het bewind was erin gelegen dat de betrokkene financieel werd uitgebuit door [verzoeker] .
5.7
Verder zijn [verweerster] en [verweerder] van mening dat de kantonrechter het bewind ook op goede gronden heeft uitgesproken. De betrokkene is als gevolg van haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat ten volle haar vermogensrechtelijke (en niet-vermogensrechtelijke) belangen behoorlijk waar te nemen. Dit is onderbouwd met medische verklaringen en ook gebleken uit het verhoor van de betrokkene. De door [verzoeker] genoemde wilsverklaring waarin de betrokkene [verzoeker] als haar belangenbehartiger heeft aangesteld, is ongeldig verklaard door een arts. De betrokkene verbleef op dat moment voor behandeling in het ziekenhuis en begreep niet wat zij precies verklaarde. Ook de bankvolmacht is niet geldig, omdat deze is verleend in dezelfde periode waarin de behandeld arts de voornoemde wilsverklaring als ongeldig heeft aangemerkt. [verweerster] en [verweerder] wijzen verder op de verklaring van de betrokkene bij de kantonrechter op 10 september 2015 waarin zij volgens hen op ondubbelzinnige wijze te kennen heeft gegeven dat zij de voorkeur gaf aan een professionele bewindvoerder op het moment dat zij niet meer in staat zou zijn haar financiële zaken zelf te regelen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting. Ten aanzien van het levenstestament van de betrokkene geldt dat dit een concept betreft en dat dit bovendien niet is ondertekend.
5.8
Daarnaast stellen [verweerster] en [verweerder] zich op het standpunt dat [verzoeker] niet geschikt is als bewindvoerder aangezien hij al jaren financieel misbruik van de betrokkene maakt. Uit afschriften blijkt dat hij (onder andere) vanaf 2016 tot en met halverwege 2018 ongeautoriseerd gebruik heeft gemaakt van haar creditcard. Zo heeft hij € 16.800,-- van de creditcard naar 'Helikopterwinkel.nl' en 'Mothers Invest' overgeboekt (allebei websites/B.V.'s van [verzoeker] ), ongeveer € 30.000,-- naar een tot op heden niet achterhaalde bestemming overgemaakt ('ambulant') en is meer dan € 13.000,-- contant opgenomen. Daarnaast zijn van de bankrekening van de betrokkene, voor welke rekening [verzoeker] een volmacht had, gigantische bedragen afgeschreven ten behoeve van [verzoeker] , zijn partner en zijn bedrijf, waarvan niet vast te stellen is waarvoor deze betalingen zijn geweest. Het is volkomen onduidelijk welke werkzaamheden er in de onderneming van [verzoeker] worden verricht en het heeft er alle schijn van dat deze onderneming uitsluitend bedoeld is ter verhulling van de door [verzoeker] gepleegde financiële uitbuiting van de betrokkene. [verzoeker] heeft hierover verklaard dat er door hem ook bedragen zijn teruggestort, maar op het moment van het instellen van het bewind stond er nog maar € 3.000,-- op de rekening van de betrokkene, terwijl dit enkele honderdduizenden euro’s had moeten zijn gezien haar zuinige leefpatroon en ontvangen erfenis. Het geld kan bovendien niet zijn besteed aan het opknappen van het huis van betrokkene in Frankrijk omdat dit op instorten staat. De enige conclusie hieruit is dan ook dat [verzoeker] allerlei uitgaven ten behoeve van zichzelf heeft gedaan. [verweerster] en [verweerder] verzoeken het hof dan ook de beschikking van de kantonrechter te bekrachtigen.
Standpunt bewindvoerder
5.9
De bewindvoerder is van mening dat het bewind in stand dient te blijven en eigenlijk al eerder ingesteld had moeten worden. In de periode vlak voor het bewind zijn bedragen van in totaal € 160.000,-- van de betrokkene naar [verzoeker] , zijn partner en zijn bedrijf gegaan. Vervolgens is er nog eens een bedrag van € 25.500,-- aan het bedrijf overgemaakt. Het is voor de bewindvoerder onduidelijk waarvoor deze betalingen zijn geweest. Uit de belastingaangifte volgt dat er € 16.000,-- aan zorgkosten is opgevoerd, maar een specificatie hiervoor ontbreekt en de belastingdienst vordert nu een deel daarvan terug. De bewindvoerder wijst erop dat er sprake is van belangenverstrengeling als er zo veel geld over en weer gaat tussen de betrokkene en het bedrijf van [verzoeker] . Ten aanzien van het huis in Frankrijk heeft de bewindvoerder opgemerkt dat dit meer vervallen dan opgeknapt is, terwijl in 2022 een hypotheek op de eigen woning van de betrokkene is afgesloten ten behoeve van de renovatie en grote bedragen naar Mothers Invest B.V. zijn overgemaakt met de omschrijving ‘renovatiedepot’ en later ‘sloop-, ruim- en grondhergebruikdepot’ van respectievelijk € 15.000,-- en € 11.000,--. Bij aanvang van het bewind stond er nog maar € 3.000,-- op de rekening van de betrokkene. Dit had veel meer moeten zijn, gezien haar inkomen van € 4.000,-- per maand en maandelijkse uitgaven van € 2.000,--. De bewindvoerder heeft [verzoeker] herhaaldelijk om uitleg gevraagd, maar [verzoeker] heeft nagelaten deze te geven. Gezien al het voorgaande heeft de bewindvoerder tegen [verzoeker] aangifte gedaan van fraude/financieel misbruik.
De beoordeling door het hof
5.1
[verzoeker] heeft aangevoerd dat de kantonrechter in strijd zou hebben gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor nu [verzoeker] en de betrokkene pas na de beschikking van de kantonrechter zijn gehoord. Het hof is van oordeel dat, voor zover al geoordeeld moet worden dat in eerste aanleg van een schending van hoor en wederhoor sprake is geweest, een dergelijk verzuim in hoger beroep kan worden hersteld door de pas na de beschikking gehoorde belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen zijn standpunt toe te lichten. Nu het hof [verzoeker] in hoger beroep in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt toe te lichten, heeft thans hoor en wederhoor op genoegzame wijze plaatsgevonden en is een eventueel gebrek in eerste aanleg voldoende hersteld. Dat [verzoeker] zelf niet naar de hofzitting is gekomen, maar zijn advocaat namens hem het woord heeft laten doen, is zijn eigen keuze geweest. Gelet hierop heeft [verzoeker] geen belang meer bij een behandeling van zijn grief.
5.11
Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is verder voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand duurzaam niet in staat is zelf ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen. Hierover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof is vervolgens van oordeel dat de door [verzoeker] genoemde wilsverklaring en bankvolmacht, voor zover deze al rechtsgeldig en toereikend zouden zijn, in de huidige omstandigheden onvoldoende waarborg zijn gebleken voor de bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene. Zoals hiervoor onder 5.9 omschreven, is de bewindvoerder gebleken dat met gebruikmaking van bedoelde bankvolmacht meerdere en soms zeer omvangrijke ondoorzichtige financiële transacties hebben plaatsgevonden van de rekeningen van de betrokkene naar de rekeningen van [verzoeker] dan wel diens bedrijven, en [verzoeker] daarvoor onvoldoende verklaring heeft kunnen geven. Er zijn weliswaar door [verzoeker] bedragen aan de betrokkene teruggestort, maar feit blijft dat op de bankrekening van de betrokkene bij aanvang van de bewindvoering slechts nog € 3.000,-- resteerde en [verzoeker] heeft nagelaten de gemaakte kosten op enigerlei wijze met objectief verifieerbare stukken te onderbouwen. Het primaire verzoek van [verzoeker] wordt dan ook afgewezen.
5.12
Het subsidiaire verzoek van [verzoeker] om zelf als bewindvoerder te worden aangesteld wordt – gelet op het voorgaande – eveneens afgewezen. Volgens de wet dient weliswaar eerst te worden bezien of een familielid kan worden aangesteld als bewindvoerder, maar in het licht van hetgeen de bewindvoerder heeft aangevoerd, acht het hof gegronde redenen aanwezig die zich daartegen verzetten. Dat leidt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval het bewind dient te worden uitgevoerd door een professionele bewindvoerder. De aanstelling van [verzoeker] als bewindvoerder zou daarnaast leiden tot een belangenverstrengeling. Immers, de betrokkene is nog steeds aandeelhouder van het bedrijf van [verzoeker] , ondanks het feit dat zij al lang geleden heeft laten weten zich van de aandelen te willen ontdoen. Waarom dat nog niet gebeurd is, heeft [verzoeker] niet kunnen verklaren. Dit alles leidt, mede vanwege de zeer slechte onderlinge verhoudingen tussen de verschillende kampen binnen de familie, tot het oordeel dat de aanstelling van een familielid niet aan de orde is. Het voorgaande betekent dat het hof van oordeel is dat het professionele bewind op juiste gronden is ingesteld en dient te worden gehandhaafd.
Wettelijk kader mentorschap
5.13
Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
5.14
Op grond van artikel 1:452 lid 3 BW dient de rechter, evenals bij de bewindvoerder, bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene te volgen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Het vierde lid van deze artikelen bepaalt kort gezegd dat, tenzij het derde lid wordt toegepast, bij voorkeur de echtgenoot tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van de ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
Standpunt [verzoeker]
5.15
Ten aanzien van de instelling van het mentorschap heeft [verzoeker] zich eveneens beroepen op een schending van hoor en wederhoor. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat, wanneer het mentorschap in stand blijft, hij de meest aangewezen persoon is als mentor. De betrokkene heeft hem bij haar wilsverklaring van februari 2020 gemachtigd om (ook) de niet- vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Daarnaast geldt dat hij de zoon van de betrokkene is en wijst in dat verband wederom op de wettelijke bepalingen. Hij zal de familie op de hoogte houden en ten aanzien van (medische) beslissingen hun meningen schriftelijk opvragen, net zoals de huidige mentor dit doet. [verzoeker] voert in dit verband nog aan dat hij de familie de laatste jaren niet bij de betrokkene heeft weggehouden, maar dat de familie zelf afstand van de betrokkene had genomen.
Standpunt [verweerster] en [verweerder]
5.16
[verweerster] en [verweerder] zijn van mening dat de spoed betreffende het mentorschap erin was gelegen dat [verzoeker] de rest van de familie buiten alle zorgbeslissingen hield en zijn taak als contactpersoon verzaakte. [verzoeker] is bovendien niet geschikt als mentor. Hij zegt, zoals blijkt uit de door hemzelf in eerste aanleg ingebrachte medische verklaring, niet in één ruimte te kunnen zijn met [verweerster] en [belanghebbende ] en kan dus niet in overleg met hen beslissingen over de zorg van de betrokkene nemen. De professionele mentor doet wat hen betreft prima werk en zorgt ervoor dat beslissingen ten aanzien van de zorg van de betrokkene in haar belang worden genomen. [verweerster] en [verweerder] verzoeken het hof dan ook de beschikking van de kantonrechter te bekrachtigen.
Standpunt mentor
5.17
De mentor stelt zich op het standpunt dat het mentorschap in stand moet blijven.
De beoordeling door het hof
5.18
Ook de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de mentor zal het hof bekrachtigen. Hier geldt eveneens dat, voor zover sprake is geweest in eerste aanleg van een schending van hoor en wederhoor, dit gebrek in hoger beroep is geheeld, zodat [verzoeker] geen belang meer heeft bij zijn grief op dit punt. Verder zijn partijen het erover eens dat de betrokkene niet meer in staat is haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, zodat het instellen van een mentorschap noodzakelijk was. Daarnaast is op grond van hetgeen uit de stukken en op de mondelinge behandeling naar voren is gekomen voor het hof duidelijk dat er geen constructieve communicatie mogelijk is tussen [verzoeker] en de rest van de familie. De uitvoering van het mentorschap door [verzoeker] als mentor is hierdoor niet mogelijk, ook niet als [verzoeker] de familie per e-mail informeert en consulteert. Onder deze omstandigheden gaat het hof voorbij aan het beroep dat [verzoeker] heeft gedaan op het bepaalde in de wilsverklaring van de betrokkene, voor zover deze al rechtsgeldig en toereikend zou zijn, en ziet het hof eveneens aanleiding voorbij te gaan aan het beroep op de voorkeursregeling van artikel 1:452 lid 4 BW. Daarbij komt dat [verweerster] , [verweerder] en [belanghebbende ] tijdens de zitting hebben laten weten sinds de instelling van het mentorschap weer contact te hebben met de betrokkene. Zij en [verzoeker] bezoeken de betrokkene om en om, dat verloopt zonder problemen en iedereen wordt door de mentor geïnformeerd. Het hof is van oordeel dat het professioneel mentorschap op juiste gronden is ingesteld, dat dit goed verloopt en gehandhaafd dient te worden.
5.19
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaken met zaaknummers 200.353.150/01 en 200.353.152/01
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van 6 januari 2025;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. M.T. Hoogland en
mr. A.R. Sturhoofd, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.