ECLI:NL:GHAMS:2025:3437
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging bewind en mentorschap wegens onvermogen betrokkene en afwijzing benoeming familielid
De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikkingen van de kantonrechter die bewind en mentorschap hebben ingesteld voor een 96-jarige betrokkene wegens haar lichamelijke en geestelijke toestand. De verzoeker, zoon van de betrokkene, betwist de noodzaak van deze maatregelen en wil zelf als bewindvoerder en mentor worden benoemd.
Het hof oordeelt dat de betrokkene duurzaam niet in staat is haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De door verzoeker aangevoerde wilsverklaring en bankvolmacht zijn onvoldoende waarborgen, mede gelet op aanwijzingen van financieel misbruik door verzoeker. Het hof stelt dat het bewind en mentorschap terecht zijn ingesteld en dat een professionele bewindvoerder en mentor noodzakelijk zijn.
Het verzoek van verzoeker om zelf als bewindvoerder en mentor te worden aangesteld wordt afgewezen vanwege gegronde redenen waaronder belangenverstrengeling en slechte familieverhoudingen. Het hof bekrachtigt derhalve de beschikkingen van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het bewind en mentorschap en wijst het verzoek van de zoon af om zelf als bewindvoerder en mentor te worden benoemd.