ECLI:NL:GHAMS:2025:3439
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bewind en mentorschap over jongmeerderjarige in buitenland
De zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is op het verzoek tot bewind en mentorschap over [kind 1], een jongmeerderjarige met dubbele nationaliteit die sinds augustus 2024 in de Verenigde Staten woont.
De kantonrechter had het verzoek van de moeder om [kind 1] onder curatele te stellen, dan wel bewind en mentorschap in te stellen, afgewezen. De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, terwijl de vader incidenteel hoger beroep instelde met het betoog dat de Nederlandse rechter onbevoegd is en dat het recht van de VS van toepassing moet zijn.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van het commune internationaal privaatrecht en dat het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000 (HVV 2000) anticiperend kan worden toegepast. De gewone verblijfplaats van [kind 1] was ten tijde van het verzoek in Nederland, hoewel deze inmiddels in de VS is gevestigd. Het hof past Nederlands recht toe en stelt vast dat aan de wettelijke gronden voor bewind en mentorschap is voldaan vanwege de geestelijke beperkingen van [kind 1].
Echter, het hof acht een Nederlandse beschermingsmaatregel niet uitvoerbaar en niet passend gezien de feitelijke situatie in de VS, waar [kind 1] adequaat wordt begeleid en verzorgd. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd. Het hof benadrukt dat het herstel van contact tussen moeder en [kind 1] niet het doel is van een meerderjarigenbeschermingsmaatregel.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot bewind en mentorschap over [kind 1].