ECLI:NL:GHAMS:2025:3441

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.353.866/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie en wijziging van omstandigheden

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende de kinderalimentatie die de moeder moet betalen voor de drie kinderen van partijen. De rechtbank Noord-Holland had in een eerdere beschikking van 11 februari 2025 bepaald dat de moeder een bijdrage van € 277,- per maand voor het oudste kind en € 255,- per maand voor de jongste twee kinderen moest betalen, met ingang van 22 juli 2024. De moeder heeft in hoger beroep gesteld dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, maar het hof oordeelt dat de vader zijn verzoek heeft aangepast en ontvankelijk is. De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen of de bijdrage te verlagen naar € 155,- per kind per maand. Het hof heeft de inkomenssituatie van beide ouders beoordeeld en vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, waardoor de alimentatie opnieuw moet worden beoordeeld. De moeder's draagkracht is vastgesteld op € 598,- per maand, terwijl de vader's draagkracht op € 606,- per maand is. Het hof heeft besloten dat de moeder met ingang van 9 december 2024 een bijdrage van € 156,- per kind per maand moet betalen voor de jongste twee kinderen, en met ingang van 1 november 2025 dit bedrag te verlagen naar € 139,- per kind per maand. De verzoeken van de vader tot wijziging van de bijdrage voor het oudste kind zijn afgewezen. De beschikking is gegeven door een meervoudige kamer en is op 16 december 2025 openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.866/01
zaaknummer rechtbank: C/15/360069 / FA RK 24-6341 en C/15/360066 / FA RK 24-6339
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K. Walburg te Hoorn,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. B. Bos te Hoorn.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de kinderalimentatie die de moeder dient te betalen voor de drie kinderen van partijen.
1.2
De rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 11 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) met ingang van 22 juli 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het oudste kind van partijen van € 277,- per maand bepaald en van € 255,- per maand voor de jongste twee kinderen.
De moeder stelt in de eerste plaats dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn inleidend verzoek. Zij heeft bij de rechtbank geen verweer gevoerd, maar legt nu alsnog haar inkomensgegevens over voor het geval het hof toch tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de vader mocht komen.
De vader wil dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd, dan wel dat de bijdrage wordt bepaald op een bedrag van € 155,- per kind per maand.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 24 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 24 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 oktober 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 10 oktober 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 15 oktober 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 17 oktober 2025 met bijlagen.
2.4
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 20 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2008,
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2010 en
- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren [in] 2013 (hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen).
De ouders hebben tot november 2021 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van 19 maart 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Deze maatregel is daarna verlengd en loopt thans tot 19 maart 2026.
[minderjarige 1] is met een machtiging daartoe van de kinderrechter uit huis geplaatst en woont in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader.
3.3
Bij beschikking van 7 december 2022 van de rechtbank is op verzoek van de vader een door de moeder met ingang van 11 juli 2022 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld van € 3,- per kind per maand.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een door de moeder met ingang van 22 juli 2024 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] bepaald van € 277,- per maand en van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 255,- per maand.
Hoewel in het dictum de bijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is bepaald op € 255,- per maand gaat het hof ervan uit dat bedoeld is een bijdrage van € 255,-
per kindper maand te bepalen aangezien de vader dat verzocht heeft en de rechtbank heeft overwogen het verzoek van de vader toe te wijzen. Gezien het beroepschrift van de moeder heeft zij de bestreden beschikking ook aldus opgevat.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek, subsidiair het inleidend verzoek van de vader alsnog af te wijzen en meer subsidiair – naar het hof begrijpt: met wijziging van de beschikking van 7 december 2022 in zoverre – de bijdrage voor [minderjarige 1] te bepalen op € 34,- per maand en de bijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te bepalen op € 4,- per kind per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.
4.3
De vader verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, dan wel – naar het hof begrijpt: met wijziging van de beschikking van 7 december 2022 in zoverre – de bijdrage te bepalen op € 155,- per kind per maand met ingang van 22 juli 2024, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
Het hof constateert met de moeder dat de vader in zijn inleidend verzoek een eerste vaststelling van een bijdrage heeft verzocht terwijl er reeds, op zijn verzoek, een bijdrage was vastgesteld bij beschikking van 7 december 2022; de vader had dan ook om wijziging van die bijdrage moeten verzoeken. Dat de vader een onjuiste grondslag heeft gebruikt voor zijn verzoek, leidt er evenwel niet toe dat hij niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, zoals de moeder heeft betoogd. De vader heeft zijn grondslag in hoger beroep gewijzigd, aldus dat hij thans een wijziging van omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag legt, hetgeen is toegestaan. Daarmee heeft hij het gebrek in zijn verzoek gerepareerd. Hij hoefde geen incidenteel hoger beroep in te stellen aangezien hij geen ander dictum wil.
Wijziging van omstandigheden
5.2
De bijdrage voor de kinderen kan, gezien artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek, worden gewijzigd als zich na vaststelling van de bijdrage een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Alleen al de wijzigingen in de inkomens van partijen (de moeder is gestopt als zzp’er en werkt in loondienst en de vader heeft na een periode van ziekte een andere baan met een ander inkomen dan voorheen) vormt een wijziging van omstandigheden die kan maken dat de vastgestelde bijdrage is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, hetgeen maakt dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek dat het hof de bijdrage opnieuw dient te beoordelen.
Ingangsdatum
5.3
Het hof zal voor de beoordeling van de draagkracht van partijen 9 december 2024 hanteren als ingangsdatum. Op die datum heeft de vader zijn inleidend verzoek ingediend en kon de moeder rekening houden met een wijziging van de alimentatie. De advocaat van de vader had de moeder weliswaar al op 22 juli 2024 gemaild met een verzoek om haar gegevens zodat zij een nieuwe berekening kon maken (met een herinnering op 5 oktober 2024), maar de moeder heeft gesteld dat zij de e-mails niet heeft gelezen, vermoedelijk omdat deze in haar spam-map terecht zijn gekomen, hetgeen door de vader niet is weersproken.
De moeder heeft verder gesteld dat ook het inleidend verzoekschrift van de vader haar niet heeft bereikt en dat zij pas op de hoogte is geraakt van de hogere bijdrage toen zij de bestreden beschikking ontving, maar het hof acht niet aannemelijk – zonder nadere toelichting – dat de rechtbank het verzoekschrift van de vader niet aan de moeder zou hebben gestuurd. Het hof gaat er daarom vanuit dat de moeder per 9 december 2024 wist – of kon weten – dat de kinderalimentatie mogelijk zou wijzigen.
Behoefte
5.4
De behoefte van de kinderen is tussen partijen niet in geschil. De rechtbank heeft deze in de beschikking van 7 december 2022 al bepaald op € 300,- per kind per maand. Na indexering is de behoefte in 2025 € 350,84 per kind per maand.
Kosten [minderjarige 1]
5.5
De moeder heeft de kosten van [minderjarige 1] aan de orde gesteld; die komen volgens haar niet voor rekening van de vader en dus kan de vader ten behoeve van [minderjarige 1] geen aanspraak maken op een onderhoudsbijdrage van haar. [minderjarige 1] verblijft op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing in een woongroep. De kosten van zijn verblijf worden gedragen door de gemeente.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij geen eigen bijdrage ten behoeve van de jeugdzorg voor [minderjarige 1] betaalt, maar dat hij wel kosten voor [minderjarige 1] heeft. Zo is aan [minderjarige 1] een rekening gestuurd van € 742,- in verband met vernielingen die hij op de vorige woongroep heeft aangebracht.
5.6
Het hof overweegt dat op grond van vaste jurisprudentie de behoefte van minderjarigen die uit huis zijn geplaatst wordt begrensd door de kosten die de verzorgende ouder, in dit geval de vader, daadwerkelijk maakt, waarbij het aan de vader is om deze kosten ook aannemelijk te maken.
De moeder heeft in feite niet betwist dat de vader kosten heeft voor [minderjarige 1] (net zoals zij die ook stelt te hebben voor onder andere kleding voor [minderjarige 1] ), maar zij betoogt dat, gezien de aard van die kosten (zoals schulden, boetes en rijlessen), partijen in overleg met [minderjarige 1] en de gezinsvoogd zouden moeten bekijken wie welk deel van die kosten draagt. Het hof is dat eens met de moeder. [minderjarige 1] heeft een bijbaan, maar aannemelijk is dat [minderjarige 1] kosten/schulden en of schade maakt die niet volledig daaruit kunnen worden bestreden. Ook het kindgebonden budget en de kinderbijslag die de vader ontvangt, zijn kennelijk niet toereikend. Nu de kosten van [minderjarige 1] niet per definitie te kwalificeren zijn als kosten die zijn gemoeid met zijn verzorging en opvoeding waarvoor kinderalimentatie bedoeld is, is het aan partijen zelf om afspraken te maken over een onderlinge verdeling van deze kosten en zal het hof voor [minderjarige 1] geen (nieuw) kinderalimentatiebedrag vaststellen.
Het hof zal de beschikbare draagkracht van partijen dus over twee kinderen verdelen.
Kosten [minderjarige 3]
5.7
De moeder heeft aangevoerd dat de verblijfskosten van de vader voor [minderjarige 3] lager zijn, omdat [minderjarige 3] anderhalve dag per week in een woongroep zal gaan verblijven. De vader heeft toegelicht dat [minderjarige 3] op een zorgboerderij zal leren omgaan met haar emoties; zij zal daar van woensdag op donderdag verblijven. Dat betekent dat de vader inderdaad wat minder verblijfskosten heeft voor [minderjarige 3] , maar naar het oordeel van het hof leidt dat niet tot een korting op de behoefte van [minderjarige 3] ; haar verblijfsoverstijgende kosten blijven immers voor rekening van de vader komen en dat [minderjarige 3] anderhalve dag elders verblijft en daar de maaltijden gebruikt, is onvoldoende om uit te gaan van een significante daling van de kosten van [minderjarige 3] .
Draagkracht moeder
5.8
Het hof zal, zoals hiervoor overwogen, 9 december 2024 als ingangsdatum voor de wijziging van de bijdrage hanteren. Ter bepaling van de draagkracht van partijen zal het hof rekenen met de gegevens van 2025 nu de inkomsten van de moeder per 1 januari van dat jaar zijn gewijzigd en die datum dermate dichtbij de ingangsdatum ligt dat het hof het niet nodig acht om voor de periode van 9 december 2024 tot 1 januari 2025 een aparte berekening te maken.
5.9
De moeder was sinds 2017 vanuit haar eenmanszaak werkzaam in de particuliere beveiliging. Zij heeft haar eenmanszaak gestaakt op 31 december 2024 en is per 1 januari 2025 werkzaam in loondienst bij [X] B.V. als hondengeleider voor 38 uur per week.
Gezien de loonstroken van de moeder van januari tot en met maart 2025 bedroeg haar salaris € 3.267,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, bruto toeslag (ad € 215,-), onbelaste hondenvergoeding (ad € 110,-) en vanaf februari een onregelmatigheidstoeslag (en overwerk in februari). Gezien de loonstroken van april tot en met juli 2025 bedroeg haar salaris € 3.414,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, bruto toeslag (ad € 180,-), onbelaste hondenvergoeding (ad € 92,-) en een onregelmatigheidstoeslag en feestdagentoeslag (in juni en juli).
Gezien de loonstroken van augustus en september 2025 ontving de moeder in die maanden ziektegeld.
5.1
Bij de bepaling van de draagkracht van de moeder zal het hof rekening houden met het loon van € 3.414,- bruto per maand te verhogen met het vakantiegeld. De eerste drie maanden van 2025 was haar loon weliswaar nog wat lager, maar gezien het verschil van € 147,- bruto per maand dat slechts een periode van drie maanden beslaat, zal het hof daarvoor niet een aparte berekening maken. Ook overigens zal het hof niet voor iedere wijziging een aparte berekening maken en vooral kijken naar de bestendige lijn in het inkomen. Zo zijn er in het loon van de moeder meerdere variabele componenten te vinden; het gaat echter niet aan om binnen een tijdsbestek van nog geen jaar om die reden meerdere berekeningen van de draagkracht te maken. Dat betekent dat het hof ook geen berekening maakt voor de maanden waarin de moeder ziekengeld ontvangt, nu het gaat om een tijdelijke verlaging van het inkomen.
Wel maakt het hof een nieuwe berekening per 1 november 2025. Per die datum zegt de moeder haar aanstelling te zullen terugbrengen van 38 uur per week naar 32 uur per week. Zij doet dat niet alleen vanwege haar rughernia, maar ook omdat zij tijd nodig heeft om haar diensthonden te trainen en te verzorgen. Het hof zal rekening houden met de verminderde inkomsten van de moeder vanaf 1 november 2025, niet alleen omdat zij een valide verklaring heeft gegeven voor de noodzaak van de arbeidsduuraanpassing, maar daarnaast heeft te gelden dat de vader ook 32 uur per week werkt.
5.11
Geen rekening zal worden gehouden met de bruto toeslag en de onbelaste hondenvergoeding. De moeder heeft twee pagina’s van haar arbeidsovereenkomst overgelegd plus een toelichting van haar werkgever op de toeslag en de vergoeding. Uit die verklaring blijkt genoegzaam dat de toeslag en vergoeding bedoeld zijn voor kosten voor onder andere training, voer, dierenarts en vervoer voor de diensthonden waarmee de moeder haar beveiligingswerk uitvoert. Beide componenten kunnen dus niet worden gezien als inkomen voor de moeder aangezien er reële kosten tegenover staan.
5.12
Het hof houdt evenmin rekening met overwerk aangezien die inkomsten slechts op een van de negen overgelegde loonstroken voorkomen. Dat geldt ook voor de feestdagentoeslag, die de moeder alleen in juni en juli 2025 heeft ontvangen.
5.13
De onregelmatigheidstoeslag neemt het hof wel in aanmerking. In februari 2025 bedroeg de toeslag € 684,-, in maart 2025 € 618,-, in april 2025 € 775,-, in mei 2025 € 468,-, in juni 2025 € 576,-, in juli 2025 € 632,- en in augustus 2025 € 192,-. In januari en september 2025 was er geen onregelmatigheidstoeslag. Gemiddeld ontving de moeder in 2025 tot en met september (€ 3.945/9 =) € 438,- per maand aan onregelmatigheidstoeslag.
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij in augustus en september 2025 is uitgevallen vanwege een rughernia. Daarom worden haar toeslagen afgebouwd. De moeder heeft echter niet toegelicht waarom zij na hervatting van haar werkzaamheden niet meer ’s nachts zal gaan werken. Het hof ziet dan ook geen reden om de toeslag buiten beschouwing te laten.
5.14
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de pensioenpremie en WGA-premie alsmede met de toepasselijke heffingskortingen, becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder op € 3.092,- per maand.
Op basis van het NBI wordt de draagkracht in 2025 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.310,-)]. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het NBI aan forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 1.310,- aan forfaitaire overige lasten en dat van het bedrag, dat van het NBI resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Dit leidt tot een draagkracht van de moeder van € 598,- per maand.
Vanaf 1 november 2025 rekent het hof met 32/38e deel van het loon, het vakantiegeld, de premies en toeslagen, hetgeen resulteert in een NBI van € 2.869,- en een beschikbare draagkracht van € 489,- per maand.
De draagkrachtberekeningen worden aan deze beschikking gehecht.
5.15
De vader heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat de moeder samenwoont met haar partner. Hij heeft echter niet toegelicht hoe en in welke mate de draagkracht van de vrouw daardoor wordt beïnvloed, zodat het hof geen gevolgen zal verbinden aan dit betoog van de vader.
Draagkracht vader
5.16
De vader was (in 2023/2024) werkzaam bij [XX] B.V. In 2024 ontving hij enige tijd een Ziektewetuitkering en sinds 11 november 2024 is hij werkzaam in loondienst bij [Y] B.V.
Gezien de loonstroken van januari en februari 2025 bedroeg zijn salaris achtereenvolgens € 2.400,- en € 2.480,- bruto per maand exclusief vakantiegeld en overwerk. Met ingang van maart 2025 is hij fulltime gaan werken (voordien 80%) en gestopt met overwerken. Gezien de loonstroken van maart en april 2025 bedroeg zijn salaris € 3.100,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. Vanaf mei 2025 werkt de vader weer 80% en bedraagt zijn salaris weer € 2.480,- per maand (zonder overwerk), zo blijkt ook uit de loonstroken van juli tot en met september 2025. Met dit salaris zal het hof rekening houden. De moeder heeft aangevoerd dat de vader na afloop van deze procedure vermoedelijk weer meer uren zal gaan werken, maar zoals hiervoor al overwogen, acht het hof het redelijk om aan zowel de kant van de moeder als de kant van de vader uit te gaan van een dienstverband van 32 uur per week en de daarbij horende inkomsten.
Wanneer verder rekening wordt gehouden met de pensioenpremie en de premies voor WGA en WIA en het kindgebonden budget dat de vader ontvangt, volgt daaruit een NBI van de vader van € 3.109,- per maand. Toepassing van de hierboven weergegeven draagkrachtformule levert een beschikbare draagkracht op van € 606,- per maand. Ook deze draagkrachtberekening wordt aan de beschikking gehecht.
Draagkrachtvergelijking
5.17
De vader en de moeder hebben samen genoeg draagkracht om in de kosten van de kinderen te voorzien. In 2025 bedraagt de behoefte afgerond € 351,- per kind (€ 702,- voor beide kinderen) en in het eerste deel van het jaar moet de moeder een deel van (598 / 1.204 x 702 =) € 349,- per maand (€ 174,- per kind per maand) dragen en de vader een deel van (606 / 1.204 x 702 =) € 353,- per maand (€ 177,- per kind per maand).
Per 1 november 2025 ziet de draagkrachtvergelijking er als volgt uit. De moeder moet een deel van (489 / 1.095 x 702 =) € 313,- per maand (€ 157,- per kind per maand) dragen en de vader een deel van (606 / 1.095 x 702 =) € 389,- per maand (€ 194,- per kind per maand).
Zorgkorting
5.18
Op het aandeel van de moeder dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Tussen de kinderen (althans [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) en de moeder geldt een zorgregeling van een weekend per twee weken plus een deel van de vakanties, maar gebleken is dat die regeling sinds maart 2025 niet meer wordt uitgevoerd en dat in de maanden ervoor alleen [minderjarige 2] bij de moeder verbleef. De moeder en de kinderen zijn naar het hof begrijpt het contact weer voorzichtig aan het opbouwen.
Het hof acht het in dit geval redelijk om met een zorgkorting van 5% rekening te houden. Er is enige tijd geen omgang geweest (afgezien van telefonisch contact) en die wordt nu weer voorzichtig opgebouwd zonder dat vaststaat de oude regeling herleeft.
Omdat de totale draagkracht voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het bedrag van de zorgkorting (van 5% van de behoefte van € 351,- = € 18,-) volledig in mindering gebracht op het aandeel van de moeder in de behoefte van de kinderen. Dat betekent dat de moeder met ingang van 9 december 2024 een bedrag van (174 - 18 =) € 156,- per kind per maand moet betalen en met ingang van 1 november 2025 van € (157 – 18 =) € 139,- per kind per maand.
Terugbetalingsverplichting
5.19
Op grond van deze beschikking dient de moeder een lagere bijdrage te bepalen dan bij de bestreden beschikking is bepaald. Nu ter zitting in hoger beroep is gebleken dat zij die hogere bijdrage nog niet heeft betaald, komt er geen terugbetalingsverplichting op de vader te rusten. De moeder dient echter wel met terugwerkende kracht een hogere bijdrage voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voldoen dan € 3,- per kind per maand.
Gezien hetgeen is overwogen ten aanzien van de kosten van [minderjarige 1] en nu de moeder geen wijziging van de beschikking van 7 december 2022 heeft verzocht, blijft de bijdrage voor hem € 3,- per maand (exclusief indexering).
5.2
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de onderhoudsbijdrage en, in zoverre opnieuw rechtdoende,
bepaalt de door de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 9 december 2024 op € 156,- (EENHONDERD ZESENVIJFTIG EURO) per kind per maand en met ingang van 1 november 2025 op € 139,- (EENHONDERD NEGENENDERTIG EURO) per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en met wijziging van de beschikking van 7 december 2022 in zoverre;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de bijdrage voor [minderjarige 1] af;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, P.F.E Geerlings en J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.