ECLI:NL:GHAMS:2025:3448

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.355.543/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de ontkenning van het moederschap en wijziging van kinderalimentatie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ontkenning van het moederschap van [de moeder 1] ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] en de wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank Amsterdam had eerder op 11 maart 2025 [de moeder 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het moederschap. Het hof bekrachtigt deze beslissing, omdat het moederschap van [de moeder 1] gerechtelijk is vastgesteld en er onder het huidige recht geen mogelijkheid bestaat tot ontkenning. Het hof oordeelt dat het beroep van [de moeder 1] op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) niet leidt tot een andere beslissing. Daarnaast is er een wijziging van de kinderalimentatie vastgesteld, waarbij [de moeder 1] vanaf 1 mei 2024 € 218,- per maand dient te betalen aan [de moeder 2] voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De uitspraak benadrukt het belang van de hechting tussen [minderjarige] en [de moeder 1], ondanks de juridische geschillen tussen de moeders.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.543/01
zaaknummer rechtbank: C/13/748498/ FA RK 24-2055 en C/13/751137 / FA RK 24-3385 (CO/MH)
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak van
[de moeder 1] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: [de moeder 1] ,
advocaat: mr. J.B. de Jong te Almere,
en
[de moeder 2] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: [de moeder 2] ,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;
- mr. J.L. Muller, advocaat te Amsterdam, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] (hierna: de bijzondere curator).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaats B] ,
gevestigd te Den Haag,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de ontkenning van het ouderschap van [de moeder 1] ten aanzien van [minderjarige] (12 jaar) en de door [de moeder 1] aan [de moeder 2] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: de kinderalimentatie).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in haar beschikking van 11 maart 2025, hersteld bij beschikking van 17 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) [de moeder 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap ten aanzien van [minderjarige] en heeft daarnaast de door [de moeder 1] aan [de moeder 2] te betalen kinderalimentatie gewijzigd per 27 maart 2024.
[de moeder 1] is het daar niet mee eens en wil dat het hof alsnog haar verzoek tot ontkenning van het ouderschap ten aanzien van [minderjarige] gegrond verklaart. Daarnaast meent zij dat de door haar te betalen kinderalimentatie dient te worden beëindigd per 27 maart 2024, dan wel aanzienlijk verlaagd dient te worden.
[de moeder 2] is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
[de moeder 1] is op 6 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De bijzondere curator heeft op 26 juli 2025 een rapport ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van [de moeder 1] van 24 juli 2025 met bijlage.
2.4
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 24 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- [de moeder 1] , bijgestaan door haar advocaat,
- [de moeder 2] , bijgestaan door haar advocaat,
- de bijzondere curator,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De advocaat van [de moeder 1] heeft na de zitting een pleitnotitie overgelegd, die hij ter zitting heeft voorgedragen.

3.De feiten

3.1
[de moeder 1] en [de moeder 2] zijn gehuwd [in] 2009 te [plaats B] .
3.2
Gedurende het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren [in] 2013 te [plaats A] .
[de moeder 2] is de biologische moeder van [minderjarige] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
3.3
Bij beschikking van 26 maart 2014 heeft de rechtbank tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken.
3.4
Bij beschikking van 14 februari 2018 heeft de rechtbank de ontbinding van het huwelijk tussen partijen uitgesproken, het moederschap van [de moeder 1] ten aanzien van [minderjarige] vastgesteld, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij [de moeder 2] bepaald en bepaald dat [de moeder 1] met ingang van 14 juli 2017 € 200,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen aan [de moeder 2] .
3.5
Op 18 april 2018 is het huwelijk van partijen ontbonden door inschrijving van de beschikking tot huwelijksontbinding van de rechtbank van 14 februari 2018 in de registers van de burgerlijke stand.
3.6
Op grond van de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie per 1 januari 2024
€ 244,61 per maand en per 1 januari 2025 € 260,51 per maand.
3.7
Bij beschikking van 12 juni 2024 heeft de rechtbank mr. J.L. Muller benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking [de moeder 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap ten aanzien van [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [de moeder 1] met ingang van 27 maart 2024 tot 1 mei 2024 aan [de moeder 2] € 390,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen en dat [de moeder 1] (naar het hof begrijpt) met ingang van 1 mei 2024 aan [de moeder 2] € 218,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen.
4.2
[de moeder 1] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog te beslissen tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap van [de moeder 1] en te bepalen dat zij met ingang van 27 maart 2024 geen kinderalimentatie meer aan [de moeder 2] hoeft te betalen, althans te bepalen dat de kinderalimentatie die zij voor [minderjarige] dient te betalen aanzienlijk lager zal zijn dan € 390,- per maand voor de periode van 27 maart 2024 tot 1 mei 2024 en € 218,- per maand vanaf 1 mei 2024, althans in goede justitie een bedrag te bepalen.
4.3
[de moeder 2] verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De bijzondere curator adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover [de moeder 1] niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader – juridisch ouderschap
5.1
Uit artikel 1:198 lid 1 BW) volgt dat moeder van een kind is de vrouw:
a. uit wie het kind is geboren;
b. die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is verbonden met de vrouw uit wie het kind is geboren, indien dit kind is verwekt door kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 1, onder c, sub 1, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en een door de stichting, bedoeld in die wet, ter bevestiging hiervan afgegeven verklaring is overgelegd, waaruit blijkt dat de identiteit van de donor aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden onbekend is, tenzij de laatste zin van dit onderdeel of de eerste zin van artikel 199, onder b, geldt. De verklaring dient bij de aangifte van de geboorte te worden overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en werkt terug tot aan de geboorte van het kind. Indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap na de kunstmatige donorbevruchting en voor de geboorte van het kind is ontbonden door de dood van de echtgenote of geregistreerde partner van de vrouw uit wie het kind is geboren, is de overleden echtgenote of geregistreerde partner eveneens moeder van het kind als de voornoemde verklaring wordt overgelegd bij de aangifte van de geboorte van het kind, zelfs indien de vrouw uit wie het kind is geboren was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren;
c. die het kind heeft erkend;
d. wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld; of
e. die het kind heeft geadopteerd.
Uit artikel 1:202a lid 1 BW volgt dat het in artikel 198, eerste lid, onder b, bedoelde moederschap, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, kan worden ontkend:
a. door de moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder a;
b. door de moeder, bedoeld in artikel 198, eerste lid, onder b;
c. door het kind zelf.
De standpunten
5.2
[de moeder 1] stelt dat de rechtbank haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap ten aanzien van [minderjarige] .
[de moeder 1] wist niet dat ze in beroep kon gaan tegen de beslissing van 14 februari 2018, op het punt van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. Had ze dat geweten, dan was ze in beroep gegaan. [de moeder 1] heeft gedwaald en dat kan hersteld worden. Pas na de start van de inleidende procedure is [de moeder 1] erachter gekomen dat zij een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap kan verzoeken. Dat is ook binnen de daarvoor geldende termijn gebeurd en zij dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard.
Als de Nederlandse wet geen mogelijkheid biedt voor een dergelijk verzoek, dan geeft art. 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) wel mogelijkheden daartoe. Op grond van dit artikel dienen alle relevante omstandigheden te worden gewogen, primair vanuit het belang van het kind, maar ook vanuit het belang van [de moeder 1] . [minderjarige] had nimmer een band met [de moeder 1] . De ontwikkeling van de identiteit van [minderjarige] is geen afgeleide van het DNA van [de moeder 1] . [de moeder 1] is vrouw, heeft niets te maken met de verwekking van [minderjarige] , die uit [de moeder 2] geboren is na overspel. Wat [de moeder 1] [minderjarige] zou kunnen bijbrengen, kan elke volwassene met liefde voor kinderen hem bijbrengen. [minderjarige] zelf doet ook geen enkele moeite om contact met [de moeder 1] te zoeken, hij werd en wordt daarin ook niet gestimuleerd door [de moeder 2] en [de moeder 1] heeft daar ook geen behoefte aan.. Vanaf zijn geboorte was [minderjarige] een moederskindje en trok hij naar [de moeder 2] . Vanuit een verantwoordelijkheidsgevoel en uit liefde voor kinderen in het algemeen heeft [de moeder 1] zorgtaken gehad voor [minderjarige] , maar de warme band is er niet en is er ook nooit geweest. Dat [minderjarige] [de moeder 1] altijd als zijn tweede moeder heeft gezien, klopt dan ook niet. Dat is uitsluitend de mening van [de moeder 2] , die daar een financieel belang bij heeft , aldus [de moeder 1] .
5.3
De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.
Het moederschap van [de moeder 1] is gerechtelijk vastgesteld bij beschikking van de rechtbank van 14 februari 2018. [de moeder 1] heeft verzuimd hoger beroep in te stellen tegen de vaststelling van haar moederschap van [minderjarige] . Dat leidt ertoe dat haar moederschap nu vaststaat. Onder het huidige recht bestaat er voor [de moeder 1] geen mogelijkheid tot ontkenning van het gerechtelijk vastgestelde moederschap. [de moeder 1] stelt dat haar juridische ouderschap geen meerwaarde heeft, aangezien zij niets met [minderjarige] wil en hij ook niet met haar. Daarmee suggereert zij dat een doorhaling van haar moederschap in het belang van [minderjarige] is en ook door hem wordt gewenst. [minderjarige] heeft inderdaad aan de bijzondere curator aangegeven dat het moederschap van [de moeder 1] wel mag worden doorgehaald. De bijzondere curator vindt het begrijpelijk dat een kind de eer aan zichzelf houdt als het te horen krijgt dat het niet meer welkom is bij de meemoeder die zegt geen meemoeder meer te willen zijn. De bijzondere curator is verder van mening dat het belangrijk is dat [minderjarige] contact heeft met zijn donor, zodat hij weet van wie hij in biologische zin afstamt. Dat weet [minderjarige] inmiddels ook. Het is echter even belangrijk voor een kind om de banden die zijn ontstaan binnen het gezin waarin hij is geboren, goed te houden. Dat is niet de verantwoordelijkheid van het kind, maar van de betrokken ouders. Hoe de twee zo verschillende verhalen van de moeders over de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige] ook moeten worden gewaardeerd, feit blijft dat er een kind is geboren binnen de relatie van twee mensen en dat deze twee mensen beide juridisch ouder zijn en gezamenlijk het gezag hebben over het kind. Ook heeft [de moeder 1] zich tot voor kort in enigermate verantwoordelijk gevoeld voor [minderjarige] en voor hem gezorgd. Nu staan de moeders tegenover elkaar en lijkt het belang van [minderjarige] in dit conflict uit het oog te zijn verloren. Het gaat alleen nog maar over geld. De bijzondere curator adviseert de moeders om tot een oplossing te komen die in de eerste plaats in het belang van de [minderjarige] is. Artikel 3 IVRK hoort niet tot een andere beslissing te leiden, aldus de bijzondere curator.
5.4
[de moeder 2] meent dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan waarvan [de moeder 1] in haar stukken en ter zitting in hoger beroep lijkt uit te gaan, is het juridisch ouderschap van [de moeder 1] ten aanzien van [minderjarige] niet ontstaan door haar huwelijk met [de moeder 2] , maar gerechtelijk vastgesteld door de rechtbank bij beschikking van 14 februari 2018 op grond van artikel 1:207 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [de moeder 1] is van deze beschikking niet in hoger beroep gekomen, zodat haar moederschap vast staat. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, biedt de Nederlandse wet geen ruimte voor toewijzing van het verzoek van [de moeder 1] . Uit artikel 1:202a BW volgt immers dat ontkenning van het moederschap, op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, niet openstaat voor de moeder wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld.
5.7
[de moeder 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij gedwaald heeft ter zake van de gerechtelijke vaststelling van het moederschap. Zij heeft nimmer ingestemd met een daad van verwekking. [de moeder 2] is zwanger geraakt door een ander na overspel. Zij heeft destijds [minderjarige] ook bewust niet erkend. De vaststelling van haar juridisch ouderschap is dan ook tot stand gekomen door bedrog, aldus [de moeder 1] . [de moeder 2] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist.
Het hof is van oordeel dat het beroep van [de moeder 1] op dwaling moet worden verworpen. Uit de beschikking van 14 februari 2018 blijkt dat [de moeder 1] in de procedure is bijgestaan door een advocaat. Gesteld noch gebleken is dat deze aan [de moeder 1] onjuiste informatie heeft verstrekt of informatie die verstrekt had moeten worden niet heeft verstrekt dan wel van dezelfde foutieve veronderstelling is uitgegaan ter zake van de gerechtelijke vaststelling van het moederschap. Uit de beschikking blijkt ook dat [de moeder 1] destijds heeft ingestemd met de door [de moeder 2] verzochte omgangsregeling en kinderalimentatie en dat zij zich enkel verzette tegen de vaststelling van het moederschap omdat er nog teveel geschilpunten tussen partijen speelden over de financiële afwikkeling van het huwelijk. Dit, terwijl zij ook toen al bekend was met het vermeende overspel van [de moeder 2] . [de moeder 1] had van de beschikking in hoger beroep kunnen komen en heeft dat niet gedaan. Dat haar advocaat inmiddels met pensioen was en het naar eigen zeggen niet klikte met diens opvolger, doet daaraan niet af. Zij had zich immers ook tot een andere advocaat kunnen wenden.
5.8
Ook het beroep van [de moeder 1] op art. 3 IVRK kan naar het oordeel van het hof niet slagen. Net als de rechtbank, de bijzondere curator en de raad is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat het moederschap van [de moeder 1] wordt doorgehaald. [minderjarige] is binnen het gezin van [de moeder 2] en [de moeder 1] geboren en na de scheiding van partijen heeft [de moeder 1] nog tot december 2023 een deel van de zorg en opvoeding van [minderjarige] voor haar rekening genomen. Tussen [de moeder 1] en [minderjarige] is dan ook een hechtingsrelatie ontstaan, zoals de raad ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. [minderjarige] heeft [de moeder 1] altijd als zijn tweede moeder gezien. Dat er op dit moment tussen hen geen contact is, is dan ook zorgelijk. [minderjarige] lijkt zich afgewezen te voelen door [de moeder 1] . De omstandigheid dat hij zelf geen contact zoekt met [de moeder 1] , kan volgens de raad duiden op een hechtingstrauma. Het juridische geschil tussen zijn moeders draagt aan een verbetering niet bij. Zoals de bijzondere curator terecht heeft opgemerkt, dienen beide partijen hun verantwoordelijkheid te nemen om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. Met de raad en de bijzondere curator is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] vergt dat zijn contact met [de moeder 1] wordt hersteld. Het hof onderschrijft dan ook de overweging van de rechtbank dat partijen met elkaar in gesprek dienen te gaan, al dan niet onder begeleiding van een mediator.
5.9
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking op dit punt moet worden bekrachtigd en dat [de moeder 1] ’s verzoek in hoger beroep moet worden afgewezen.
Kinderalimentatie – wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.11
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt.
5.12
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.
5.13
Tussen partijen is evenmin in geschil dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 549,- per maand bedraagt, zodat ook het hof daarvan uit zal gaan.
5.14
Tussen partijen is de draagkracht van [de moeder 2] (en daarmee haar aandeel in de kosten van [minderjarige] ) in geschil. [de moeder 1] meent dat bij de berekening van de draagkracht van [de moeder 2] uit moeten worden gegaan van een verdiencapaciteit van € 41.000,- bruto per jaar, in plaats van het bedrag dat de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, te weten € 30.888,- bruto per jaar. [de moeder 1] meent dat [de moeder 2] meer dan 3 dagen per week kan werken, omdat [minderjarige] inmiddels 12 jaar oud is en voldoende zelfstandig is. Dat [de moeder 2] niet kan werken vanwege een chronisch vermoeidheidsyndroom is niet bewezen. [de moeder 2] stelt dat wel, maar [de moeder 1] weerspreekt dat met klem. [de moeder 1] wantrouwt elke uitspraak van [de moeder 2] , aldus [de moeder 1] .
[de moeder 2] voert verweer.
5.15
Het hof overweegt als volgt.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van [de moeder 2] onderscheid heeft gemaakt tussen twee periodes. De periode van 27 maart 2024 tot 1 mei 2024 en de periode vanaf 1 mei 2024.
5.16
Tussen partijen is niet in geschil dat [de moeder 2] in de periode van 27 maart 2024 tot 1 mei 2024 een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, wordt in dat geval geen draagkracht aangenomen aan de zijde van de verzorgende ouder. Nu de grief van [de moeder 1] zich niet richt tegen deze overweging zal het hof eveneens hiervan uitgaan.
5.17
Per 1 mei 2024 is [de moeder 2] drie dagen per week gaan werken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat van [de moeder 2] niet gevergd kan worden dat zij meer gaat werken/verdienen dat zij nu doet. Het hof sluit zich aan bij dit oordeel. [de moeder 2] heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij na de scheiding haar baan is kwijtgeraakt, omdat zij vanwege de zorg voor [minderjarige] niet meer alle (nacht)diensten kon werken. Daarnaast heeft zij aangegeven dat zij al jaren kampt met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [de moeder 2] geciteerd uit stukken van de huisarts, waaruit blijkt dat [de moeder 2] bekend is met CVS en daarvoor in behandeling is geweest bij het Nederlands Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid (NKCV). Volgens [de moeder 2] heeft zij zoveel last van het CVS, dat zij in overleg met haar werkgever heeft besloten om per 1 december 2025 twee dagen per week te gaan werken. Hoewel de stukken over haar medische situatie niet in het geding zijn gebracht en [de moeder 1] het voorgaande gemotiveerd heeft betwist, acht het hof het voldoende aannemelijk dat [de moeder 2] op dit moment niet meer kan werken dan zij doet, althans tot 1 december 2025 heeft gedaan. Het hof zal echter geen rekening houden met de omstandigheid dat [de moeder 2] per 1 december 2025 minder uren zal gaan werken, nu zij de noodzaak daartoe onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal dan ook voor de draagkracht van [de moeder 2] aansluiten bij de berekening van de rechtbank en uitgaan van een inkomen van € 30.888,- bruto per jaar en een draagkracht van € 590,- per maand.
5.18
[de moeder 1] heeft de door de rechtbank berekende draagkracht aan haar zijde niet betwist, zodat het hof zal uitgaan van een draagkracht van € 390,- per maand. Aan de stelling van [de moeder 1] dat zij voor haar andere zoon € 175,- per maand bijdraagt en dat zij meent dat beide kinderen het recht hebben op dezelfde onderhoudsbijdrage gaat het hof voorbij. In de onderhavige procedure is de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van zijn beide ouders bepaald. Van de andere zoon van [de moeder 1] zijn geen nadere gegevens bekend. Het kan dan ook zijn dat zijn behoefte aan een bijdrage van [de moeder 1] lager ligt dan die van [minderjarige] .
5.19
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [de moeder 1] in de periode van 27 maart 2024 tot 1 mei 2024 haar volledige draagkracht dient aan te wenden, omdat partijen in die periode samen niet genoeg draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voldoen.
Voor de periode vanaf 1 mei 2024 zal het hof aansluiten bij de draagkrachtvergelijking van de rechtbank.
5.2
Het hof is dan ook van oordeel dat de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie dient te worden bekrachtigd, zij het dat het hof de kennelijke verschrijving van de ingangsdatum van de tweede periode zal herstellen.
5.21
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2025, behoudens de onder 4.3. van die beschikking vermelde ingangsdatum en in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt dat [de moeder 1] € 218,- per maand dient te betalen aan [de moeder 2] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van 1 mei 2024, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.