ECLI:NL:GHAMS:2025:3481

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.325.148/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontbinding koopovereenkomst Tesla Motors Nederland B.V. wegens non-conformiteit

In deze zaak, die een vervolg is op een eerder tussenarrest van 19 november 2024, heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep. De zaak betreft een geschil tussen Tesla Motors Netherlands B.V. en een koper over de ontbinding van een koopovereenkomst wegens non-conformiteit van een auto. De koper had de overeenkomst met succes ontbonden, omdat de auto herhaaldelijk niet kon worden opgeladen aan publieke laadpalen. Tesla is niet in het tegenbewijs geslaagd en het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd, met uitzondering van de gebruiksvergoeding die op de terug te betalen koopprijs in mindering wordt gebracht. Het hof heeft de gebruiksvergoeding vastgesteld op € 50.000, wat hoger is dan het bedrag dat de kantonrechter had vastgesteld. Het hof oordeelt dat de koper recht heeft op een terugbetaling van € 77.885, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 oktober 2021. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, zodat elke partij de eigen kosten draagt.

De zaak is van belang voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van fabrikanten in geval van non-conformiteit en de toepassing van bewijsvermoedens in consumentenzaken. Het hof heeft vastgesteld dat het gebrek aan de auto al bij aflevering bestond, en dat Tesla niet voldoende bewijs heeft geleverd voor een van buitenkomende oorzaak van het gebrek. De uitspraak benadrukt de rechten van consumenten bij de ontbinding van koopovereenkomsten en de verplichtingen van fabrikanten om aan de kwaliteitseisen te voldoen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.325.148/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 9954522 / CV EXPL 22-3078
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake
TESLA MOTORS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. A. al Mansouri te Nijmegen,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.N. van Essen te Alkmaar.
Partijen worden hierna wederom Tesla en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Vervolg op het in deze zaak gewezen tussenarrest van 19 november 2024 (ECLI:GHAMS:2024:3407). Tesla is niet in het tegenbewijs geslaagd. De koper heeft de koopovereenkomst met succes ontbonden wegens non-conformiteit. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, behoudens op het punt van de gebruiksvergoeding die op de door Tesla terug te betalen koopprijs in mindering wordt gebracht. Het hof stelt de gebruiksvergoeding op het hogere bedrag van € 50.000.

2.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In deze zaak is op 19 november 2024 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar dat arrest.
Ter uitvoering van het tussenarrest heeft Tesla op 6 maart 2025 een akte houdende overlegging producties met twee schriftelijke verklaringen ingediend en twee getuigen doen horen. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
  • memorie na enquête;
  • antwoordmemorie na enquête.
Vervolgens is wederom arrest bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak over de vraag voor wiens rekening komt dat de auto van [geïntimeerde] vanaf circa 2,5 jaar na aflevering bij herhaling geen wisselstroom heeft kunnen laden aan publieke laadpalen. In het tijdvak van 18/19 december 2019 tot 21 oktober 2021 is in verband met die klacht de auto acht keer ter reparatie aangeboden en is de boordlader vijf keer (volgens grief 1 van Tesla), althans zes keer (volgens de tijdlijn van [geïntimeerde] in de memorie van antwoord na enquête) vervangen. Daarbij verdient opmerking dat na de derde vervanging op 21 juli 2020 de auto gedurende bijna vier maanden tot 12 november 2020 bij Tesla ter reparatie gestaan en dat Tesla gedurende de periodes dat de auto bij haar heeft gestaan aan [geïntimeerde] kosteloos een leenauto ter beschikking heeft gesteld.
3.2.
In het tussenarrest is op grond van de nadeliger bewijspositie van [geïntimeerde] als consument tegenover Tesla als fabrikant en telkens reparateur van het gebrek, uitgegaan van een bewijsvermoeden dat het gebrek bij aflevering al bestond. Tesla is toegelaten tot tegenbewijs door het leveren van nader bewijs van de door haar gestelde van buitenkomende oorzaak van het gebrek.
3.3.
Tesla heeft als van buitenkomende oorzaak gewezen naar de laadpalen [straat 1] ( [01] ) en [straat 2] ( [02] ) in [plaats 2] . Volgens Tesla waren die palen defect omdat zij spanning afgaven zonder dat een auto daar om vroeg, waardoor kortsluiting in de boordlader kon ontstaan. Daarbij heeft zij erop gewezen dat door een bug in een software update in het tijdvak 23 mei 2020 tot 5 april 2022 de auto minder effectief was beschermd tegen onverwachte stroomspanning van defecte laadpalen.
3.4.
Tesla heeft genoemde palen [01] en [02] op 17 november 2021 en op 3 augustus 2022 laten onderzoeken. Het eerste onderzoek is uitgevoerd door [naam 1] , technisch ingenieur in dienst van Tesla, en het tweede onderzoek door [naam 2] van expertisebureau McLarens, in bijzijn van [naam 1] . [naam 1] en [naam 2] hebben daarover gerapporteerd en na het tussenarrest ook schriftelijk en als getuige verklaard. Volgens die rapporten en verklaringen is op beide data gemeten dat paal [02] constant spanning afgaf. [naam 2] heeft als getuige verklaard dat paal [01] op 3 augustus 2022 in storing stond en geen spanning afgaf. [naam 1] heeft als getuige verklaard dat hij op 17 november 2021 heeft vastgesteld dat paal [01] constant stroom afgaf, maar dat is niet te rijmen met de eerdere stelling van Tesla dat op 17 november 2021 bij die paal ( [01] ) geen metingen konden worden verricht (cva onder 12). Dat is bovendien door de kantonrechter als vaststaand tot uitgangspunt genomen (vonnis onder 2.14), zonder dat tegen die vaststelling tijdig is gegriefd. Het wordt dan ook ervoor gehouden dat van paal [01] niet is vastgesteld dat die op 17 november 2021 en/of 3 augustus 2022 constant spanning afgaf.
3.6.
Naar het oordeel van het hof bieden de rapporten en verklaringen van [naam 1] en [naam 2] onvoldoende steun voor de stelling dat de palen defect waren in de periode waar het hier om gaat, oftewel vanaf 19 december 2019 tot 21 oktober 2021 (zie hiervoor onder 3.1.). Hier wreekt zich in de bewoordingen van [naam 1] als getuige
“Helaas is bij ons en bij andere autofabrikanten het serviceapparaat gericht op vervanging van onderdelen in plaats van diepgaand onderzoek naar de oorzaak.”Uit bedoelde rapporten en verklaringen volgt dan ook onvoldoende dat het gebrek een van buitenkomende oorzaak heeft.
3.7.
Hetzelfde geldt voor het door Tesla ingeroepen overzicht van laadsessies van [geïntimeerde] vanaf 28 februari 2019 tot 3 februari 2022 (mva productie 24). Volgens Tesla kan uit dat overzicht worden afgeleid
”dat de boordlader van de auto van [geïntimeerde] telkens direct of zeer kort na een laadsessie bij een van de palen [01] en [02] in storing raakte”(memorie na enquête onder 14). Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat de boordlader telkens
doorhet gebruik van de palen [01] en [02] in storing is geraakt en vervangen is moeten worden. Uit datzelfde laadoverzicht kan namelijk evenzogoed worden afgeleid dat de boordlader telkens direct of kort na een laadsessie aan het laadstation [straat 1] [0] (paal [03] ) in storing is geraakt. Volgens dat laadoverzicht is tot 1 september 2020 de auto voornamelijk aan paal [03] geladen, terwijl in de periode daaraan voorafgaand de boordlader drie keer is vervangen (mvg onder 16). Tesla heeft in eerste instantie het gebrek dan ook toegeschreven aan het gebruik van laadpaal [03] , kennelijk op basis van hetzelfde laadoverzicht (mva productie 24). Dat wordt afgeleid uit de e-mail van Tesla medewerker [naam 3] aan [geïntimeerde] van 16 september 2020. Daarin staat onder verwijzing naar een kennelijk uit bedoeld laadoverzicht ingekopieerd overzicht van laadsessies van 2 juli 2020 tot 21 juli 2020 aan paal [03] die rood zijn gemarkeerd:
“After diving deep into the logs and requesting data from our engineers we’ve come to the following conclusion (…) marked in red you can find the charging sessions which triggered alerts in the logs of your vehicle.”Zonder toelichting - die ontbreekt - is niet goed te begrijpen waarom nu uit datzelfde overzicht zou moeten blijken dat de palen [01] en [04] de oorzaak zijn, te minder waar tot 1 september 2020 de auto niet of nauwelijks aan die palen is geladen en het gebrek zich toen al meerdere keren had gemanifesteerd. Dat wijst op een andere oorzaak dan het gebruik van de palen [01] en/of [02] . In elk geval levert naar het oordeel van het hof bedoeld overzicht onvoldoende aanwijzing op voor een oorzakelijk verband tussen de door Tesla aangewezen laadpalen en het gebrek. Ook daarop strandt de bewijsopdracht van Tesla.
3.8.
Bij gebreke van ander adequaat bewijs heeft Tesla het voorshands aangenomen bewijsvermoeden niet ontzenuwd Het wordt derhalve ervoor gehouden dat het gebrek bij aflevering al bestond. [geïntimeerde] heeft daarom de koopovereenkomst bij brief van 15 oktober 2021 met succes ontbonden.
Grief IIheeft geen succes.
3.9.
Grief IVis gericht tegen het bedrag van € 20.000 dat de kantonrechter als gebruiksvergoeding op de door Tesla ter ongedaanmaking terug te betalen koopprijs in mindering heeft gebracht. Volgens Tesla moet de door haar terug te betalen koopprijs worden verminderd met de waardevermindering van de auto begroot op € 81.119 per datum ontbinding op 15 oktober 2021, althans op € 78.410 per de datum dat zij de auto voor het eerst in reparatie heeft genomen op 18/19 december 2019. Zij beroept zich daarbij op artikel 6:272 lid 1 BW - in aanmerking nemende dat het genot dat [geïntimeerde] van de auto heeft gehad niet ongedaan kan worden gemaakt - althans op ongerechtvaardigde verrijking.
3.10.
Bij de beoordeling dient tot uitgangspunt dat op de voet van artikel 7:10 lid 4, eerste zin, jo lid 3 BW tot de datum van ontbinding de waardevermindering van de auto - ook door het gebruik dat [geïntimeerde] van de auto heeft gemaakt - voor rekening is van Tesla. Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat in de gegeven omstandigheden onverkorte toepassing van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor het gebruik dat [geïntimeerde] van de auto heeft gemaakt
tot de datum van ontbindingis daarom terecht een gebruiksvergoeding in rekening gebracht. Na de ontbinding heeft [geïntimeerde] ermee rekening moeten houden dat hij de auto niet langer als eigenaar onder zich had en dat hij de auto aan Tesla moest teruggeven. Daarom is hij voor het gebruik van de auto
na de ontbindingjegens Tesla schadeplichtig volgens de regels van ongerechtvaardigde verrijking, zij het tot ten hoogste het bedrag van het voordeel dat hij nadien van de auto heeft gehad (artikel 7:10 lid 4, tweede zin, BW jo. artikel 6:78 lid 1 BW). Daarmee komt het erop neer dat het bij de begroting van het op de terug te betalen koopsom in mindering te brengen bedrag zowel voor als na de ontbinding om waardering gaat van het genot/voordeel dat [geïntimeerde] van de auto heeft gehad. Tot zover faalt de grief.
3.11.
Het hof waardeert het genot/voordeel wel op een hoger bedrag dan de kantonrechter heeft gedaan. Daarvoor is redengevend dat de auto op 18/19 december 2019 een kilometerstand had van 89.000 km, op 15 oktober 2021 van 129.455 km en bij inlevering op 3 april 2023 van 169.765 km. Het gebrek heeft [geïntimeerde] er kennelijk niet van weerhouden om de nodige kilometers met de auto te rijden, te minder indien daarbij rekening wordt gehouden met de tijd dat de auto bij Tesla ter reparatie heeft gestaan en hij daarmee dus geen kilometers heeft kunnen rijden, maar wel met een leenauto van Tesla, die hem gedurende de reparaties kosteloos ter beschikking was gesteld. Dat wijst erop dat het gebrek dus vooral - in de bewoordingen van [geïntimeerde] - tot hinder, ergernis en overlast heeft geleid, en niet tot substantieel minder gereden kilometers. Indien daarnaast rekening wordt gehouden met het feit dat het gebrek zich pas na 2,5 jaar heeft geopenbaard en met - zoals ook de kantonrechter heeft gedaan - de prijsklasse van de auto en het daarmee corresponderende comfort, acht het hof een gebruiksvergoeding van € 50.000 redelijk. In zoverre heeft de grief succes.
3.12.
Gelet op hetgeen in het tussenarrest en het voorgaande is overwogen en beslist, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd, behoudens op het punt van de omvang van de gebruiksvergoeding die op de terug te betalen koopprijs in mindering moet worden gebracht. Op dat punt wordt het bestreden vonnis vernietigd en wordt Tesla in plaats van tot terugbetaling van het bedrag van € 107.885 veroordeeld om € 77.885 aan [geïntimeerde] terug te betalen, te vermeerderen met als verder niet bestreden de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2021. Bij die uitkomst ziet het hof aanleiding om de proceskosten in hoger beroep te compenseren in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover Tesla daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 107.885, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2021 tot aan de dag van de gehele betaling; en
in zoverre opnieuw rechtdoende,
veroordeelt Tesla tot betaling aan [geïntimeerde] van € 77.885, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van het meerdere dat Tesla ter uitvoering van de vernietigde veroordeling aan hem heeft betaald;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, F.J. van de Poel en F.J. Bloem-Timmermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.