ECLI:NL:GHAMS:2025:3538

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23-002296-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter inzake poging zware mishandeling met mes

Op 18 december 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, dat op 25 juli 2023 was gewezen. De zaak betreft een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes op de keel geslagen, wat resulteerde in een snijwond die gehecht moest worden. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden geëist, met een proeftijd van 2 jaar. Het hof heeft de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen. De verdachte is momenteel in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling op vrije voeten en heeft positieve ontwikkelingen doorgemaakt in zijn leven. Het hof heeft besloten om de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, maar wel hoger dan de politierechter had gedaan, om de ernst van de feiten te benadrukken. Daarnaast is er een vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van € 2.000,00, waarvan de politierechter € 500,00 heeft toegewezen. Het hof heeft de vordering in hoger beroep volledig toegewezen, gezien het lichamelijk letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen. Het hof heeft de beslissing van de politierechter ten aanzien van de straf en de vordering van de benadeelde partij vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002296-23
datum uitspraak: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-291184-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteland] ( [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1981,
verblijfadres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis van de politierechter en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer op zijn keel te slaan, terwijl hij een mes in zijn hand had. Het slachtoffer is ook daadwerkelijk door het mes geraakt en heeft daarbij een snijwond in zijn hals opgelopen die gehecht moest worden. De politierechter heeft op de zitting van 10 november 2022, bijna tweeënhalf jaar na het incident, waargenomen dat het slachtoffer een litteken op zijn adamsappel had. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Gelet op de plek waar de verdachte het slachtoffer heeft geraakt, had zijn handelen nog veel ernstigere gevolgen kunnen hebben.
Het hof heeft ook kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht dat hij momenteel in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) op vrije voeten is en dat het goed met hem gaat. Hij heeft een baan, is met schuldhulpverlening op weg om zijn schulden af te betalen en heeft hulp bij het vinden van een woning. Daarnaast is de verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen.
Hoewel de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals ook geëist door de advocaat-generaal. Om de ernst van de feiten te benadrukken zal het hof wel een hogere straf opleggen dan de politierechter heeft gedaan, maar geheel voorwaardelijk. Dit zodat de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte niet zullen worden doorkruist door een nieuwe detentie.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, bestaande uit € 2.000,00 aan immateriële schade. De vordering is door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 500,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in hoger beroep nog voorliggende vordering tot schadevergoeding volledig wordt toegewezen.
De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. Hij heeft immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een snee in zijn hals als gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte. De snee moest worden gehecht en de benadeelde partij heeft hier een litteken op zijn adamsappel aan overgehouden. Hij zal daardoor telkens geconfronteerd blijven worden met de gevolgen van het bewezenverklaarde. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en is van oordeel dat een bedrag van € 500,00 passend is, zodat de vordering – voor zover in hoger beroep aan de orde – volledig zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.H. Tiemens, mr. P. Greve en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 december 2025.
Mr. P. Greve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[… 1]