ECLI:NL:GHAMS:2025:3563

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23-002074-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vrijspraak in zaak van schuldheling van meerdere telefoons en een bankpas

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, geboren in 2004 en zonder bekende woon- of verblijfplaats, was eerder vrijgesproken van een aantal feiten, maar heeft hoger beroep ingesteld tegen deze vrijspraak. Het hof heeft vastgesteld dat het hoger beroep niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de vrijspraak, conform artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging in hoger beroep betrof schuldheling van meerdere telefoons en een bankpas, die de verdachte op 27 augustus 2024 in Nederland had verworven. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het om door misdrijf verkregen goederen ging. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en het onder 2 tenlastegelegde bewezen verklaard.

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het hof heeft ook een uittreksel uit de Justitiële Documentatie in overweging genomen, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. De beslissing van het hof houdt in dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen de vrijspraak, en dat de straf wordt opgelegd voor de bewezenverklaring van schuldheling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002074-24
datum uitspraak: 19 december 2025
VERSTEK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 september 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-277262-24 en 16-135378-24 ( TUL ) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2004,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd. Het hoger beroep van de verdachte is niet beperkt en is daarom ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen deze vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak.

Tenlastelegging

Voor zover in hoger beroep nog aan de orde, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 27 augustus 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, een en/of meerdere telefoons en/of een [bedrijf 2] -bankpas (op naam van [persoon] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op 27 augustus 2024 te [plaats] , meerdere telefoons en een [bedrijf 2] -bankpas (op naam van [persoon] ), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van meerdere telefoons en een bankpas, die kort daarvoor waren gestolen. Een delict als schuldheling bevordert het plegen van vermogensdelicten, zoals diefstallen, nu door het plegen van schuldheling het de daders van vermogensdelicten makkelijk wordt gemaakt de van misdrijf verkregen goederen af te zetten of tijdelijk onder te brengen en daarmee aan het oog van de politie te onttrekken. Door haar handelen heeft de verdachte hieraan bijgedragen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een vermogensdelict. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof zal het openbaar ministerie in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van het ten aanzien van de bij dat vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2024, parketnummer 16-135378-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 dagen niet-ontvankelijk verklaren, nu uit de Justitiële Documentatie blijkt dat de tenuitvoerlegging binnen 1 detentieperiode heeft plaatsgevonden tezamen met een straf behorend bij parketnummer 16-177756-24.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummer 16-135378-24.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 december 2025. Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[…]