ECLI:NL:GHAMS:2025:3565

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23-000729-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter inzake rijden onder invloed van THC met bewijsverweren

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, geboren in 1999, had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere veroordeling voor het rijden onder invloed van THC. De raadsman voerde aan dat er gebreken waren in het onderzoek, met name met betrekking tot de 90-minuten termijn en de termijn voor bloedonderzoek. Het hof verwerpt deze verweren en stelt vast dat de aanhouding en het onderzoek binnen de geldende termijnen zijn uitgevoerd. Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter, maar vernietigt de strafoplegging voor feit 1. De verdachte wordt uiteindelijk veroordeeld tot een geldboete van € 450,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren, met inachtneming van de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Het hof houdt rekening met het strafblad van de verdachte en de ernst van de feiten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof, waarbij de betrokken rechters en de griffier aanwezig waren. Het arrest is openbaar uitgesproken op de zitting van 19 december 2025.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000729-25
datum uitspraak: 19 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-134432-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging ten aanzien van feit 1 – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
- een ter terechtzitting gevoerd verweer van de verdediging zal bespreken;
- acht zal slaan op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, zal uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bespreking van in hoger beroep genoemde verweer

De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat is voldaan aan de 90-minuten-termijn als bedoeld in artikel 12 lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Uit pagina 19 van het dossier blijkt dat het eerste contact plaatsvond om 15:13 uur. Vervolgens is het rijbewijs van de verdachte gecontroleerd, zijn de drugs gevorderd, is de speekseltest afgenomen en afgelezen en is het voertuig doorzocht. Als gevolg van deze doorzoeking is het Rolex-horloge in beslaggenomen om 15:14 uur (pagina 36). De raadsman stelt zich op het standpunt dat het onwaarschijnlijk is dat tussen het eerste moment van verdenking en de kennisgeving inbeslagneming slechts 1 minuut heeft gezeten. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld welke handeling op welk tijdstip heeft plaatsgevonden, en op basis van het dossier valt dan ook niet te toetsen of voldaan is aan de vereiste termijn van 90 minuten.
Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat artikel 16 lid 1 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer niet is nageleefd, nu het bloedonderzoek niet binnen 4 weken heeft plaatsgevonden. Deze twee gebreken tezamen maakt dat sprake is van gebrekkig onderzoek, waardoor het bestanddeel onderzoek niet bewezen kan worden verklaard en de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier (pagina 3) valt op te maken dat het eerste contact heeft plaatsgevonden om 15:06 uur bij het vordering voorlopig onderzoek speekseltest. Op pagina 19 van het dossier is te zien dat het tijdstip eerste contact na verdenking om 15:13 uur was, en de verdachte is om 15:14 uur aangehouden. Er is geen schending van de 90-minuten termijn. Met betrekking tot de 4 weken termijn van het bloedonderzoek merkt de advocaat-generaal op dat het overschrijden van die termijn geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat de uitslag daarmee onbetrouwbaar zou zijn.
Oordeel van het hof
Het hof verwijst naar het proces-verbaal van aanhouding ( [kenteken] ) op pagina 9 van het digitale dossier. Daaruit volgt dat bij de aanhouding van de verdachte om 15:14 de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] betrokken waren. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten omstreeks 15:00 uur stonden te posten en dat zij richting het tankstation zijn gereden nadat zij de verdachte hadden gesignaleerd en een volgteken hadden gegeven. Bij het tankstation werden vervolgens alle handelingen vrijwel gelijktijdig door verschillende verbalisanten verricht. Verbalisant [verbalisant 1] rook een marihuanalucht afkomstig uit de auto, vorderde de overgifte van drugs, waarop de verdachte de zakjes aan hem overhandigde. Verbalisant [verbalisant 2] nam daarop bij de verdachte de speekseltest af. Verbalisant [verbalisant 3] doorzocht ondertussen het voertuig van de verdachte en trof om 15:14 in het bestuurdersportier een Rolex horloge aan. Het horloge is gelijk in beslag genomen en de verdachte is aangehouden. Deze vrijwel gelijktijdig uitgevoerde handelingen passen naar het oordeel van het hof binnen het door de verbalisanten genoemde tijdsbestek. Het hof heeft op basis van dit proces-verbaal geen reden om te veronderstellen dat genoemde tijdstippen in de desbetreffende processen-verbaal onjuist zijn.
Op 26 december 2023 is bij de verdachte bloed afgenomen. Uit het rapport van Eurofins Forensics blijkt dat op 29 december 2023 de buisjes met bloed van de verdachte zijn ontvangen. Dit is binnen drie dagen nadat het bloedmonster is afgenomen. Het rapport is echter pas opgemaakt op 13 februari 2024. Het hof stelt vast dat daarmee de termijn van 4 weken als bedoeld in artikel 16 lid 1 van het Besluit is overschreden. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567. Daaruit volgt dat als de voorschriften van artikel 16 lid 1 van het Besluit niet worden nageleefd, dat op zichzelf geen gevolgen heeft voor het bewijs van het in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 voorkomende bestanddeel ‘onderzoek’.
Ten overvloede overweegt het hof dat – mocht de raadsman hebben bedoeld dat er sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering – niet gemotiveerd uiteengezet is of, en zo ja, welk nadeel de verdachte van dit vormverzuim heeft ondervonden. Gelet hierop zal het hof volstaan met de constatering van het vormverzuim en hieraan geen consequenties verbinden.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto op de openbare weg onder invloed van THC, waardoor de rijvaardigheid wordt verminderd. Door op deze [persoon] te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van de verdachte van 20 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor de overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Het hof heeft voorts acht geslagen op het relevante oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin voor recidive ten aanzien van rijden onder invloed van eenvoudig gebruik THC een geldboete van € 450,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden worden genoemd. Anders dan de advocaat-generaal en de raadsman ziet het hof geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straffen ten aanzien van feit 1, en doet in zoverre opnieuw recht.
Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
9 (negen) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. M.T.C. de Vries en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 december 2025. Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat om het arrest mede te ondertekenen.
[…]