ECLI:NL:GHAMS:2025:3569

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23-001471-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor rijden zonder geldig rijbewijs na invordering

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De verdachte, geboren in 1983, had op 16 november 2023 te Alkmaar een motorrijtuig bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. De politierechter had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. De verdachte stelde in hoger beroep dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij weer mocht rijden, gebaseerd op mededelingen van zijn vorige raadsman. Het hof verwierp dit verweer, omdat de verdachte op de hoogte was van de invordering van zijn rijbewijs en een klaagschrift had ingediend, maar dit nog niet was behandeld. Het hof achtte de verdachte wettig en overtuigend schuldig aan het tenlastegelegde feit en handhaafde de straf van twee weken gevangenisstraf. Het hof overwoog dat het gedrag van de verdachte het vertrouwen in de verkeersveiligheid ondermijnt en dat er geen omstandigheden waren die de strafbaarheid uitsloten. De op te leggen straf was gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001471-25
datum uitspraak: 19 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 96-148631-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 november 2023 te Alkmaar als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de N9, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het aan hem tenlastegelegde feit.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door mededelingen van zijn vorige raadsman in de veronderstelling was dat hij op 16 november 2023, tien dagen na de invordering van zijn rijbewijs weer mocht rijden. Als hij had geweten dat hij niet mocht rijden, had hij dat niet gedaan en zeker niet zijn eigen auto hebben gebruikt.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte is afgegaan en ook mocht afgaan op mededelingen van zijn toenmalige raadsman.
De verdachte had van hem begrepen dat het wel goed zou komen met het ingediende klaagschrift en heeft daaruit afgeleid dat hij mocht rijden.
Oordeel van het hof
Uit het dossier kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid.
De verdachte is op 6 november 2023 aangehouden met zijn auto nadat hij te hard zou hebben gereden. Uit het proces-verbaal verkeersovertredingen ( [nummer] ) blijkt dat de politie ter plekke het rijbewijs van de verdachte heeft ingenomen en dat de verdachte een kennisgeving ontvangst van het ingevorderde rijbewijs heeft ontvangen. Op deze kennisgeving staat vermeld dat de officier van justitie kan besluiten om het rijbewijs in te houden, dat de verdachte als hij het met die beslissing niet eens is, een klaagschrift kan indienen en dat hij gedurende deze periode geen auto mag besturen ( [nummer 2] ). Op 8 november 2023 heeft de officier van justitie besloten tot invordering van het rijbewijs tot 1 mei 2024. Op 14 november 2023 heeft de verdachte tegen die beslissing een klaagschrift ingediend. De verdachte heeft op 16 november 2023 met zijn auto op de N9 in Alkmaar gereden. De verdachte heeft in het politieverhoor verklaard dat hij wist dat zijn rijbewijs was ingevorderd en dat hij wist dat hij met deze maatregel geen auto mocht besturen. Op 30 november 2023 heeft de beklagzitting bij de raadkamer van de rechtbank Amsterdam plaats gevonden (parketnummer 96-293212-23 en raadkamernummer 23-028417).
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat de verdachte in de veronderstelling was en mocht zijn dat hij op 16 november 2023 mocht rijden. De verdachte had immers twee dagen eerder een klaagschrift tegen de invordering van zijn rijbewijs ingediend en zijn beklag was nog niet behandeld. In dat licht acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte – al dan niet door mededelingen van zijn toenmalige advocaat – in de veronderstelling was dat hij twee dagen later mocht rijden, hetgeen ook wordt bevestigd door de verdachte die tegenover de politie heeft verklaard te weten dat zijn rijbewijs was ingevorderd en dus geen auto mocht besturen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 november 2023 te Alkmaar als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, was gevorderd en van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de N9, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de onevenredige gevolgen van een gevangenisstraf. De verdachte heeft een eigen bedrijf en er zijn mensen afhankelijk van de klussen die hij binnen haalt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Door deel te nemen aan het verkeer zonder een daartoe vereist rijvaardigheidsbewijs neemt de verdachte het risico dat, indien ongevallen zich voordoen, aan betrokken personen veel schade en overlast wordt toegebracht die niet verhaald kan worden, nu verdachte niet verzekerd is. Met zijn gedrag ondermijnt de verdachte bovendien het vertrouwen in de rijvaardigheid die moet worden geacht aanwezig te zijn bij vaardige weggebruikers. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof dient rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij een eigen bedrijf heeft en dat hij daar druk mee bezig is. Indien hij gedetineerd raakt, heeft dit grote gevolgen voor zijn bedrijf.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de relevante oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten gaan bij het besturen van een motorrijtuig – waarvoor het bezit van een rijbewijs is vereist – tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In hetgeen de raadsman en de verdachte naar voren hebben gebracht, ziet het hof geen aanleiding om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en in navolging van de vordering van de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. M.T.C. de Vries en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 december 2025. Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[…]