ECLI:NL:GHAMS:2025:3617

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.356.586
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden of verstoorde arbeidsverhouding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen GNX B.V. en [geïntimeerde]. De centrale vraag was of de arbeidsovereenkomst moest worden ontbonden vanwege bedrijfseconomische omstandigheden of een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof heeft, net als de kantonrechter, deze vraag ontkennend beantwoord. De verzoeken van de werknemer met betrekking tot wedertewerkstelling zijn toegewezen, terwijl de overige verzoeken zijn afgewezen. Het hof oordeelde dat GNX onvoldoende bewijs had geleverd voor de noodzaak tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van bedrijfseconomische redenen. De financiële situatie van GNX was niet zodanig dat de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs verviel. Daarnaast was er geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding die de beëindiging rechtvaardigde. Het hof heeft GNX veroordeeld om [geïntimeerde] per direct toe te laten tot zijn werkzaamheden en hem toegang te verschaffen tot de benodigde systemen en faciliteiten. Tevens is GNX veroordeeld tot betaling van achterstallige bonussen en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.356.589/01
zaaknummer rechtbank : 11439741 EA VERZ 24-1228
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake
GNX B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.G. van der Mark te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,,
advocaat: mr. I.M.P. Koevoets te Zandvoort.
Partijen worden hierna GNX en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden beëindigd vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3 sub a BW) dan wel vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW). Het hof beantwoordt deze vraag evenals de kantonrechter ontkennend. De verzoeken van [geïntimeerde] met betrekking tot wedertewerkstelling worden toegewezen. De overige verzoeken van [geïntimeerde] worden afgewezen.

2.Het geding in hoger beroep

GNX is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 7 juli 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter) op 8 april 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). GNX heeft geconcludeerd dat het hof:
  • de bestreden beschikking zal vernietigen; en
  • alsnog, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal ontbinden (het hof begrijpt: zal bepalen op welke datum de arbeidsovereenkomst eindigt op grond van 7:683 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) primair vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3 sub a BW) en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW);
  • [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.
Op 22 september 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens incidenteel hoger beroep en zelfstandig tegenverzoek, met producties, van [geïntimeerde] ingekomen.
[geïntimeerde] heeft in
principaal appelprimairverzocht om de verzoeken van GNX tot bepaling van een einddatum van de arbeidsovereenkomst af te wijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - veroordeling van GNX in de werkelijke proceskosten. Voor het geval de ontbinding zou worden toegewezen (het hof begrijpt: voor het geval het hof bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt), heeft [geïntimeerde]
subsidiair- samengevat -verzocht hem een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen, een eindafrekening te laten verstrekken en het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst te vernietigen per de einddatum van de arbeidsovereenkomst.
In
incidenteel appelheeft [geïntimeerde] verzocht om:
de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die ziet op de afwijzing van zijn verzoeken tot betaling van achterstallig salaris en van de werkelijke advocaatkosten; en
GNX te veroordelen tot betaling van de achterstallige bonus over 2023 en 2024 van in totaal € 10.500,- bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente; en
GNX te veroordelen tot betaling van de werkelijke advocaatkosten, bestaande uit:
a. de kosten buiten rechte ex artikel 6:96 BW ter hoogte van € 8.131,04; en
b. de proceskosten ex artikel 237 lid 1 Rv van € 19.556,60;
beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel zijn in eerste aanleg reeds gedane tegenverzoek vermeerderd en verzocht om:
4. voor recht te verklaren dat de afwijzing van het ontbindingsverzoek tot gevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen onverkort voortduurt en [geïntimeerde] in zijn functie van [functie] (hierna: [functie] ) moet worden gehandhaafd (formeel en feitelijk);
5. GNX op straffe van een dwangsom te veroordelen om [geïntimeerde] per direct:
a. toe te laten tot zijn werkzaamheden als [functie] ;
b. hem volledige toegang te verschaffen tot de voor de uitoefening van zijn functie benodigde systemen, faciliteiten en communicatiemiddelen; en
c. hem toe te laten tot werk- en personeel gerelateerde activiteiten.
6. GNX op straffe van een dwangsom te veroordelen hem met terugwerkende kracht per 13 maart 2023 aan te melden bij de pensioenregeling en de verschuldigde premies af te dragen;
7. GNX te gelasten de bonus van € 6.000 bruto over 2025 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
8. GNX te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de kosten voor de beroepsverenigingen en voor de Bar Florida ter hoogte van € 4.788,- , te vermeerderen met de wettelijke rente;
9. GNX te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte aanvullende advocaat- en proceskosten bestaande uit:
a. € 1.791,51 aan kosten buiten rechte;
b. € 8.517,- aan proceskosten in deze procedure tot nu toe;
c. € 2.831,71 aan proceskosten (begroot) voor de pleitnotities en de deelname aan de zitting op 31 oktober 2025; en
d. € 756,25 voor de noodzakelijke tolk tijdens deze zitting;
dit alles vermeerderd met de wettelijke rente.
Op 17 oktober 2025 is ter griffie van het hof ingekomen een verweerschrift van GNX in het incidenteel hoger beroep, met een productie. GNX heeft het hof daarin verzocht om afwijzing van de verzoeken van [geïntimeerde] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025 toegelicht, GNX bijgestaan door mr. D.G. van der Mark en [geïntimeerde] door mr. I.M.P. Koevoets, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Uitspraak is bepaald op heden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 1.1. tot en met 1.7. van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
3.1.
[geïntimeerde] , geboren op 25 mei 1982, is sinds 13 maart 2023 in dienst van GNX. Zijn functie is [functie] . Zijn salaris bedraagt € 6.000,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een werkweek van 40 uur.
3.2.
Bij e-mail van 7 maart 2023 heeft R. Bevaart (verder: Bevaart) aan [geïntimeerde] onder meer geschreven:
“(…) As for compensation – we’re finalizing how we want to do that, but the setup will most likely be that we agree on a set of bonus-performance-indicators. If they’re OK there’s a year-end bonus of about one moth of salary/10%. In Q4 we evaluate and if we did great as a company there’s room to do something for everybody.
Also, our pension plan is pretty great, that is also big value, plus there’s 8% holiday pay. Your annual salary would therefore 72k = 77,76 base + 6k bonus = 83,76k “OTE”.
3.3.
GNX is een internationaal opererende organisatie die dataverbindingen en internetaansluitingen levert in meer dan 100 landen. GNX maakt deel uit van een groep: STUPA Holding B.V. en MUR Holding B.V. zijn (indirect) aandeelhouder van GNX. Bevaart en [naam] zijn via deze vennootschappen indirect statutair bestuurder van GNX.
3.4.
Over 2021 heeft GNX een negatief bedrijfsresultaat behaald van - € 454.618,00. Over 2022 is dit - € 572.813,00 en over 2023 - € 1.596.698,00 (telkens na belastingen).
3.5.
Dit is voor GNX aanleiding om kostenbesparende maatregelen te nemen, waaronder reductie van personeel. Dit leidde tot de beslissing tot het (willen) laten vervallen van drie arbeidsplaatsen, waaronder die van [geïntimeerde] .
3.6.
Op 28 juni 2024 heeft GNX een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, te weten haar slechte of slechter wordende financiële situatie. Bij beslissing van 30 september 2024 is de gevraagde toestemming geweigerd. UWV heeft daartoe onder meer overwogen dat voldoende aannemelijk is gemaakt op grond van de overgelegde financiële stukken dat in het verleden sprake was van een slechte financiële situatie, maar dat werknemer heeft aangevoerd dat er geen helderheid is gegeven over de financiële situatie in 2024 en dat een prognose over het eerste kwartaal van 2025 ontbreekt. Met name dit laatste alsmede het gebrek aan inzicht in het complete personeelsbestand en onvoldoende inspanningen van GNX om [geïntimeerde] te herplaatsen, zijn aanleiding voor het UWV om het verzoek af te wijzen.
3.7.
[geïntimeerde] is sinds de zomer 2024 vrijgesteld van het doen van werkzaamheden.

4.Eerste aanleg

4.1.
GNX heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden vanwege bedrijfseconomische omstandigheden (artikel 7:669 lid 3 sub a BW) en om bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de proceduretijd.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - primair verzocht: (A) de verzoeken van GNX tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.
Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, heeft [geïntimeerde] subsidiair verzocht GNX te veroordelen tot: (B) betaling van een billijke vergoeding van € 151.154,41 bruto en de transitievergoeding van € 5.168,60 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente; en tot (C) het verzorgen van een correcte eindafrekening en uitbetaling daarvan in de maand volgend op de einddatum, met inbegrip van de openstaande vakantiedagen, pro rata vakantiegeld en pro rata bonus over 2025, vermeerderd met de wettelijke rente.
Ongeacht de ontbindingsvraag heeft [geïntimeerde] (als zelfstandige tegenverzoeken) verzocht GNX te veroordelen: (D) tot betaling van achterstallig salaris (de bonus over 2023 en 2024) ter hoogte van € 10.500,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; (E) [geïntimeerde] met terugwerkende kracht per 13 maart 2024 aan te melden bij de pensioenregeling en de verschuldigde premies af te dragen, op straffe van een dwangsom; (F) tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte advocaat- en proceskosten van € 13.220,07, vermeerderd met de wettelijke rente; en (G) in de kosten van het geding.
Op de zitting in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] het hierboven onder (E) genoemde verzoek ingetrokken, na de mededeling van GNX dat zij hieraan inmiddels had voldaan.
4.3.
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van GNX tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] afgewezen. Daartoe oordeelde de kantonrechter het volgende. GNX stelde dat de situatie weliswaar minder slecht is, maar nog steeds de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] rechtvaardigt. De daartoe door GNX overgelegde stukken over 2024 en 2025 zijn onvoldoende overtuigend om het verzoek te kunnen toewijzen. Het betreft telkens slechts cijfermatige voorspellingen zonder nadere toelichting, opgesteld door de directie en derhalve niet door een externe deskundige. De cijfers zijn daarom inzichtelijk noch controleerbaar. Daarnaast geldt dat [geïntimeerde] in 2023 in vaste dienst is aangenomen, terwijl ook toen de financiële situatie (steeds slechter wordende cijfers) en de daarop van invloed zijnde factoren al bekend waren. GNX erkent ook dat zij er door verdere omzetgroei op termijn bovenop zal komen. In dat licht acht de kantonrechter de gevraagde ontbinding niet verdedigbaar. Bovendien heeft GNX zich, afgezien van een enkel gesprek, onvoldoende ingespannen om te voldoen aan de op haar rustende herplaatsingsplicht. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] tot betaling van de bonus over 2023 en 2024 is afgewezen, omdat uit de e-mail van 7 maart 2023 niet blijkt dat een verplichte jaarlijkse bonus is overeengekomen. Het verzoek tot toekenning van de daadwerkelijke proceskosten is afgewezen, omdat van misbruik van procesrecht of een evident kansloos verzoek geen sprake was. GNX is in de kosten van de procedure veroordeeld.

5.Beoordeling

Principaal hoger beroep
Bedrijfseconomische omstandigheden
5.1.
Met
grief Abestrijdt GNX het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden bestaande uit een slechte financiële situatie, die nopen tot de gevraagde ontbinding. GNX meent te hebben aangetoond dat bedrijfseconomische omstandigheden bestaande uit een slechte financiële situatie GNX noodzaken tot het nemen van kostenbesparende maatregelen bestaande uit het laten vervallen van onder meer de arbeidsplaats van [geïntimeerde] ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering. Uit de door GNX overgelegde cijfers blijkt volgens GNX weliswaar dat er omzetgroei gerealiseerd wordt, maar dat deze ver achter blijft bij de begroting (69% in 2023). Ook voor 2024 is zij geconfronteerd met een fors verlies. Uit de overgelegde prognoses en liquiditeitsanalyse bij gewijzigd en ongewijzigd beleid van de resultatenrekening voor de komende 26 weken blijkt het effect van de beoogde kostenbesparende maatregelen op het resultaat en de proportionaliteit van de arbeidskostenbesparing. De kostenbesparende maatregelen zijn doeltreffend; zonder die maatregelen verslechtert de liquiditeit. Volgens GNX was en is er dan ook een bedrijfseconomische noodzaak om het aantal arbeidsplaatsen te verminderen ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering.
5.2.
Het hof stelt voorop dat een arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd als daarvoor een redelijke grond bestaat én herplaatsing van de werknemer binnen redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). In artikel 7:669 lid 3 sub a BW is bepaald dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Indien de kantonrechter het ontbindingsverzoek van de werkgever heeft afgewezen, moet de rechter in hoger beroep, aan de hand van de hem ten tijde van zijn beslissing bekende feiten en omstandigheden, beoordelen of het ontbindingsverzoek ten onrechte is afgewezen (‘
ex nunc’) (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 (
Victoria)). Dit betekent in het onderhavige geval dat beoordeeld moet worden of de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs vervalt als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering, te bezien aan de hand van de actuele situatie/huidige periode (de overgelegde cijfers tot en met Q3 in 2025) en de komende periode/toekomstige 26 weken (de prognose voor Q4 2025 en Q1 2026).
5.3.
Ter onderbouwing van haar stelling dat er een bedrijfseconomische noodzaak is om de arbeidsplaats van [geïntimeerde] te laten vervallen, heeft GNX bij haar beroepschrift de resultatenrekeningen 2021 tot en met 2024 met een samenstellingsverklaring van haar accountant overgelegd en in productie 17 de cijfers van Q1 2025, de begroting voor de rest van 2025 en voor heel 2026 en een cashflow overzicht Q2 2024 tot en met Q1 2025 met een grafiek overgelegd. Uit de begroting voor de drie laatste kwartalen van 2025 en voor heel 2026 blijkt dat een positief resultaat wordt verwacht. . Daar komt bij dat GNX in randnummer 12 van haar beroepschrift zelf ook aangeeft dat zij over 2025 geen verlies zal maken en 2026 voor het eerst in jaren met een positief resultaat kan worden afgesloten. Hieruit volgt dat GNX zelf (ook) erkent dat de prognose voor de te beoordelen periode van 26 weken (Q4 2025 en Q1 2026) positief is. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat bij GNX thans sprake is van dusdanig slechte bedrijfseconomische omstandigheden dat zij op die grondslag genoodzaakt is om de functie van [geïntimeerde] te laten vervallen. Als nadere producties 22 tot en met 25 heeft GNX de door de accountant gecontroleerde resultaten tot en met Q3 2025, een gewijzigde begroting voor Q4 2025 en heel 2026 en een cashflow overzicht over de periode Q2 2024 tot en met Q3 2025 overgelegd. Ook deze latere stukken leiden het hof niet tot een ander oordeel, aangezien GNX ter zitting heeft toegelicht dat de in deze stukken opgenomen berekeningen/begrotingen niet zijn geverifieerd door een accountant en ter zitting ook nog is gebleken dat er een foutieve berekening van het verwachte resultaat over 2026 in is opgenomen waardoor het resultaat - ook wanneer [geïntimeerde] in dienst blijft - voor de te beoordelen toekomstige periode positief blijft. Dat desondanks in verband met de liquiditeit verval van de arbeidsplaats noodzakelijk zou zijn, heeft GNX onvoldoende toegelicht.
5.4.
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs komt te vervallen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering ten tijde van de actuele situatie en de te beoordelen toekomstige 26 weken (Q4 2025 en Q1 2026). Van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW is daarom geen sprake.
Verstoorde arbeidsverhouding
5.5.
GNX stelt subsidiair dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW). GNX heeft in dat verband aangevoerd dat al sinds januari 2025 sprake is van een verstoorde en moeizame arbeidsverhouding tussen partijen. Tijdens het gesprek op 8 januari 2025 heeft [geïntimeerde] Bevaart beschuldigd van zaken binnen GNX die niet door de beugel konden en van bewust niet integer en zelfs onethisch handelen. Dit betreffen volgens GNX forse en ongefundeerde beschuldigingen. Na de bestreden beschikking heeft GNX mediation voorgesteld, maar [geïntimeerde] stelde steeds de voorwaarde dat GNX alle gemaakte advocaatkosten en de tolkkosten zou vergoeden. Daarmee heeft GNX niet ingestemd. Vervolgens wilde [geïntimeerde] geen mediationgesprek aangaan zonder advocaat. Hierdoor heeft het mediationproces enorme vertraging opgelopen en verliep de communicatie tussen partijen uiterst moeizaam. Daarnaast speelde nog het onterechte verzoek van [geïntimeerde] om een volledige kostenvergoeding voor door hem gemaakte zakelijke kosten, aldus GNX.
5.6.
Naar het oordeel van het hof heeft GNX niet voldoende onderbouwd dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Van belang is het volgende. GNX heeft haar ontslagvoornemen in juni 2024 aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt. Vervolgens heeft het UWV bij beslissing van 30 september 2024 de ontslagaanvraag van GNX geweigerd. Nadien heeft GNX bij verzoekschrift van 29 november 2024 de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] te ontbinden. Niet is in geschil dat [geïntimeerde] gedurende deze gehele periode niet is toegelaten tot het werk en geen toegang had tot de (digitale) systemen van GNX, terwijl de arbeidsovereenkomst wel gewoon doorliep. Vervolgens werd op 8 januari 2025 een gesprek ingepland om de situatie van/met [geïntimeerde] te bespreken. Voor zover [geïntimeerde] geëmotioneerd heeft gereageerd tijdens het gesprek ( [geïntimeerde] heeft betwist grove beschuldigingen te hebben geuit richting Bevaart), is dat gezien de afgewezen ontslagaanvraag door het UWV en het afgewezen ontbindingsverzoek door de kantonrechter en zijn ongegronde op non-actiefstelling niet onbegrijpelijk. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de reactie van [geïntimeerde] tijdens dit gesprek voor een verstoring van de arbeidsrelatie heeft gezorgd. Datzelfde geldt voor het verwijt van GNX dat [geïntimeerde] alleen aan mediation wilde meewerken mits zijn daadwerkelijke advocaatkosten zouden worden vergoed en zijn advocaat bij de mediation aanwezig mocht zijn. Aan deelname aan mediation mogen in beginsel vooraf voorwaarden worden verbonden. Deelname aan mediation is immers geheel vrijwillig. Onder de genoemde omstandigheden heeft [geïntimeerde] begrijpelijkerwijs een advocaat willen inschakelen om zijn belangen te behartigen. GNX heeft [geïntimeerde] dus langere tijd ten onrechte van het werk afgehouden waardoor begrijpelijkerwijs zo nu en dan fricties zijn ontstaan. [geïntimeerde] ziet echter geen reden om de arbeidsrelatie te beëindigen, wil een streep zetten onder het verleden en is bereid om opnieuw te bouwen aan een positieve samenwerking. Dit mag gezien het voorgaande ook van GNX worden verwacht. Het hof gaat ervan uit dat partijen daartoe in staat zijn, mede gezien de professionele opstelling van zowel Bevaart als [geïntimeerde] jegens elkaar op de zitting in hoger beroep en zeker wanneer deze procedure is geëindigd.
5.7.
Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geen sprake van een redelijke grond voor beëindiging als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Het principaal hoger beroep faalt.
Tussenconclusie
5.8.
Gelet op het voorgaande, wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] . Grief A slaagt derhalve niet. Aan een beoordeling van grief B over het al dan niet voldoen door GNX aan de herplaatsingsplicht wordt dan niet meer toegekomen. Het verzoek van GNX tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] wordt derhalve afgewezen. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst voortduurt, zodat niet meer wordt toegekomen aan de voorwaardelijk subsidiair ingediende verzoeken van [geïntimeerde] .
Incidenteel hoger beroep
5.9.
De in incidenteel hoger beroep ingediende verzoeken zijn hiervoor genummerd (1) tot en met (9). Een deel van deze verzoeken was in eerste aanleg al ingediend. Een ander deel vloeit voort uit de beslissing tot weigering van de ontbinding, respectievelijk bepalen van een einddatum. Een derde deel betreft voor het eerst in hoger beroep gedane verzoeken, waarvan de toelaatbaarheid zal worden getoetst aan het vereiste van connexiteit. Het hof licht dit hierna toe.
Ad (4) en (5): verklaring voor recht + wedertewerkstelling
5.10.
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep voor het eerst verzocht om een verklaring voor recht dat de afwijzing van het ontbindingsverzoek tot gevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen onverkort voortduurt en dat hij in zijn functie van [functie] moet worden gehandhaafd. Tegen deze verandering van het verzoek, noch tegen de inhoud ervan heeft GNX bezwaar gemaakt en het hof ziet ook geen aanleiding om deze verandering van het verzoek ambtshalve als in hoger beroep niet toelaatbaar te beoordelen. Nu het verzoek van GNX om een einddatum vast te stellen wordt afgewezen en de arbeidsovereenkomst daarmee onverminderd voortduurt, heeft [geïntimeerde] zonder nadere toelichting (welke ontbreekt) naar het oordeel van het hof geen belang bij deze verklaring voor recht. Over het thans voortduren van de bestaande arbeidsovereenkomst bestaat immers geen onduidelijkheid. Het verzoek is daarom nodeloos ingediend en wordt derhalve afgewezen.
5.11.
Het verzoek om tot het verrichten van de arbeid te worden toegelaten is in hoger beroep als vermeerdering van het verzoek toelaatbaar omdat het in voldoende rechtstreeks verband staat met de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet beëindigd dient te worden. Omdat [geïntimeerde] eerder door GNX is vrijgesteld van werkzaamheden, waarmee GNX kennelijk vooruit wenste te lopen op de door haar gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst, bestaat er thans - nu duidelijk is dat die beëindiging is afgewezen - voldoende grond om de door [geïntimeerde] verzochte veroordeling van GNX om hem per direct toe te laten tot zijn werkzaamheden als [functie] , hem volledige toegang te verschaffen tot alle systemen, faciliteiten en communicatiemiddelen en hem toe te laten tot werk- en personeel gerelateerde activiteiten, toe te wijzen. Dit onderdeel van het incidenteel hoger beroep slaagt dus in zoverre. Zoals verzocht zal als prikkel tot nakoming een dwangsom worden verbonden aan deze veroordeling, zij het dat de dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd, zoals hierna te melden.
Ad (2) en (7): bonus over 2023, 2024 en 2025
5.12.
[geïntimeerde] maakte in eerste aanleg al aanspraak op nabetaling van zijn achterstallige bonus over de jaren 2023 en 2024 van in totaal € 10.500,- bruto en heeft dit verzoek in hoger beroep vermeerderd met de betaling van de bonus over het jaar 2025 van € 6.000,- bruto. Tegen deze vermeerdering bestaat geen bezwaar, ook al omdat deze samenhangt met hetgeen in eerste aanleg is verzocht en afgewezen. [geïntimeerde] stelt dat Bevaart in zijn mail aan [geïntimeerde] van 7 maart 2023 zou hebben bevestigd dat hij als arbeidsvoorwaarde recht heeft op een bonus van € 6.000,- bruto per jaar. Bevaart heeft volgens [geïntimeerde] ook nooit een voorbehoud gemaakt bij dit onderdeel van zijn jaarsalaris. Het hof overweegt dat Bevaart namens GNX in zijn e-mail van 7 maart 2023 aan [geïntimeerde] heeft toegelicht dat GNX nog bezig is met het bepalen van de vergoeding, maar dat ze waarschijnlijk gezamenlijk een aantal bonusprestatie-indicatoren zullen afspreken en dat, voor het geval die set van bonusprestatie-indicatoren in orde wordt bevonden, een berekening is gemaakt (“
your annual salary would therefore”). Uit deze bewoordingen blijkt dat er nog geen volledige overeenstemming was over het recht op en de hoogte van een bonus voor [geïntimeerde] . Daar komt bij dat in de nadien gesloten en ondertekende arbeidsovereenkomst van 13 maart 2023, die - zonder nadere toelichting, welke ontbreekt - geacht mag worden de afspraken tussen partijen te hebben vastgelegd, geen bonusregeling is overeengekomen. Onder deze omstandigheden heeft [geïntimeerde] niet mogen begrijpen dat partijen een jaarlijkse bonusregeling van € 6.000,- bruto zijn overeengekomen. De hierop gerichte verzoeken van [geïntimeerde] worden derhalve afgewezen. De grief faalt.
Ad (6): pensioenpremies & aanmelding bij pensioenverzekeraar per datum indiensttreding
5.13.
[geïntimeerde] heeft verzocht GNX te veroordelen hem met terugwerkende kracht per 13 maart 2023 te laten deelnemen aan de pensioenregeling (in plaats van per 1 januari 2024) en de hiervoor verschuldigde pensioenpremies af te dragen zoals vastgelegd in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst. Het hof gaat voorbij aan het verweer van GNX dat dit verzoek in hoger beroep niet meer kan worden ingediend omdat het in eerste aanleg is ingetrokken. [geïntimeerde] heeft toegelicht het verzoek destijds te hebben ingetrokken omdat hij er op basis van daartoe strekkende mededelingen van GNX van uitging dat het inderdaad was geregeld, waarna hij erachter kwam dat op de uitdraai van zijn pensioenoverzicht nog steeds 1 januari 2024 staat vermeld. GNX heeft in hoger beroep opnieuw kunnen reageren op dit verzoek en het hof ziet ook geen andere reden om deze verandering van het verzoek in strijd te achten met de goede procesorde, dan wel enige andere wettelijke bepaling.
5.14.
Het hof overweegt dat GNX (als productie 21) in hoger beroep een brief van 15 oktober 2025 van Pasveer Pensioenadvies heeft overgelegd, waarin is bevestigd dat [geïntimeerde] per datum in dienst (13 maart 2023) is opgenomen in de pensioenregeling bij ASR en dat alle premies die verschuldigd zijn aan ASR voor alle werknemers (en dus ook voor [geïntimeerde] ) zijn betaald. Dit is namens GNX ter zitting ook nog eens bevestigd. Daarmee ligt er geen geschil ter beslechting voor, maar [geïntimeerde] heeft kennelijk nog wel behoefte aan een formele vastlegging van deze overeenstemming. Het hof ziet derhalve aanleiding om dit verzoek van [geïntimeerde] toe te wijzen, voor zover de aanmelding bij de pensioenregeling van ASR en daarbij behorende premiebetalingen per 13 maart 2023 niet al reeds zijn uitgevoerd. Gelet op de toelichting/toezegging van GNX ter zitting, wordt vooralsnog geen dwangsom verbonden aan deze veroordeling. Dit incidenteel verzoek is in zoverre toewijsbaar.
Ad (8): kosten beroepsverenigingen General Counsel & Bar Florida
5.15.
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep verzocht GNX te veroordelen tot betaling van de volgens hem beroepshalve in 2024 gemaakte kosten voor lidmaatschap van beroepsverenigingen en de Bar Florida ter hoogte van € 4.788,-. Ook tegen deze verandering van het verzoek heeft GNX bezwaar gemaakt omdat [geïntimeerde] dit verzoek niet ook al in eerste aanleg heeft ingediend.
5.16.
Het hof acht deze verandering van het verzoek van [geïntimeerde] niet toelaatbaar, omdat het geen betrekking heeft op het onderwerp van het voorliggende verzoek van GNX tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (het ook in hoger beroep geldende connexiteitsvereiste, zoals voor de eerste aanleg verwoord in artikel 282 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Deze verandering van het verzoek wordt daarom niet toelaatbaar geoordeeld en afgewezen.
Ad (3) en (9): buitengerechtelijke kosten en proceskosten
5.17.
[geïntimeerde] komt op tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vergoeding van de daadwerkelijk door hem gemaakte advocaatkosten, zoals in eerste aanleg berekend (over de periode tot en met 8 april 2025), bestaande uit: a. de kosten buiten rechte ex artikel 6:96 BW ter hoogte van € 8.131,04; en b. de proceskosten ex artikel 237 lid 1 Rv ter hoogte van € 19.556,60. Daarnaast maakt [geïntimeerde] in hoger beroep aanvullend aanspraak op zijn daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten in principaal en incidenteel hoger beroep (over de periode vanaf 8 april 2025), bestaande uit: a. € 1.791,51 aan kosten buiten rechte; b. € 8.517,- aan proceskosten in deze procedure tot nu toe; c. € 2.831,71 aan proceskosten voor de pleitnotities en de deelname aan de zitting op 31 oktober 2025; en d. € 756,25 voor de noodzakelijke tolk tijdens deze zitting.
5.18.
Omdat dit een zuivere vermeerdering van het in eerste aanleg reeds ingediende verzoek betreft, dat is gebaseerd op dezelfde grondslag, is deze vermeerdering van het verzoek in hoger beroep toelaatbaar. Een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of anderszins onrechtmatig handelen door de wederpartij. Daarvan is in dit verband pas sprake als het instellen van de vordering (waaronder begrepen het indienen van het verzoek), gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM (zie HR 29 juni 2009; ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Nu niet geoordeeld kan worden dat de ingestelde verzoeken van GNX op voorhand evident kansloos waren, ziet het hof geen aanleiding voor een integrale vergoeding van advocaatkosten. Het verzoek tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten na 8 april 2025 is daarom niet toewijsbaar.
5.19.
Dat sprake is van buitengerechtelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen (anders dan de kosten die verband houden met de voorbereiding van gedingstukken en met de instructie van de zaak), heeft GNX betwist en heeft [geïntimeerde] in dat licht onvoldoende onderbouwd. De algemene opmerking dat uren zijn gericht op overleg, advisering en het zoeken naar een minnelijke regeling is daartoe onvoldoende. Uit de overgelegde overzichten en facturen kan het hof zonder nadere toelichting niet opmaken dat en welke kosten daarop zouden zien. Van [geïntimeerde] had mogen worden verwacht dat hij per activiteit had toegelicht wat er is precies gedaan, hoeveel tijd daarmee gemoeid was, waaruit dat blijkt (bijvoorbeeld door verwijzing per activiteit naar een voldoende gespecificeerde declaratie), alsmede waarom die tijd en kosten niet kunnen worden beschouwd als dienende ter voorbereiding van de procedure. Voor zover deze kosten in eerste aanleg zijn afgewezen, faalt deze grief. De in hoger beroep verzochte betaling van deze kosten wijst het hof af.
Slotsom
5.20.
Partijen hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
5.21.
De conclusie is dat de grieven A en B in principaal appel, en de grieven in incidenteel appel falen, voor zover gericht tegen de dienaangaande door de kantonrechter gegeven bestreden beschikking. Dit betekent dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. In incidenteel hoger beroep wordt een deel van de verzoeken van [geïntimeerde] toegewezen. De in incidenteel hoger beroep toegewezen verzoeken betreffen een belangrijk deel van de verzoeken van [geïntimeerde] . GNX zal daarom zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep als de (in incidenteel hoger beroep: grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
6.1.
bekrachtigt de bestreden beschikking;
in incidenteel hoger beroep:
6.2.
veroordeelt GNX om [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang vanaf heden:
( a) toe te laten tot zijn werkzaamheden als [functie] ;
( b) hem volledige toegang te verschaffen tot de voor de uitoefening van zijn functie benodigde systemen, faciliteiten en communicatiemiddelen; en
( c) hem toe te laten tot werk- en personeel gerelateerde activiteiten;
6.3.
veroordeelt GNX om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,- bruto per dag voor elke dag dat GNX na de betekening van deze beschikking niet voldoet aan de onder 6.2. uitgesproken veroordelingen, tot een maximum van € 100.000,- bruto is bereikt;
6.4.
veroordeelt GNX om [geïntimeerde] met terugwerkende kracht per 13 maart 2023 als deelnemer aan te melden bij de pensioenregeling en de verschuldigde premies af te dragen, voor zover dit niet al is gebeurd;
6.5.
veroordeelt GNX in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.790,- in principaal hoger beroep (€ 362,- griffierecht en 2 x € 1.214,- advocaatkosten) en op € 1.214,- in incidenteel hoger beroep (2 x € 607,-), en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.6.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het anders of meer in principaal en incidenteel hoger beroep verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Bervoets, mr. H.T. van der Meer en mr. dr. A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.