Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Alkmaar,
2.Uitgangspunten en feiten
ex tunc’) of (ii) aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing in hoger beroep (‘
ex nunc’).
primair in verbinding met art. 7:669 lid Pro 3, onderdeel e, BW (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer) en subsidiair in verbinding met art. 7:669 lid Pro 3, onderdeel g, BW (verstoorde arbeidsverhouding) en (ii) voor recht te verklaren dat de werkneemster geen transitievergoeding toekomt.
Het dossier bevat geen stukken waaruit blijkt dat de werkneemster op haar functioneren bij de locatie Bioscience is aangesproken, voordat zij is overgeplaatst. Dat neemt echter niet weg dat Victoria de bevoegdheid had om de werkneemster over te plaatsen. Vast staat dat de locatie ASG valt binnen de geografische grenzen van de regio waarin de werkneemster op een object kan worden geplaatst. Als uitgangspunt geldt dan ook dat de werkneemster de wijziging van het object binnen redelijke grenzen dient te accepteren.
Het hof is van oordeel dat van de werkneemster niet gevraagd kon worden om zich per fiets naar de locatie ASG te vervoeren. De werkneemster heeft nooit aan het verkeer deelgenomen, anders dan als voetganger, en van haar kan gelet op haar leeftijd niet gevraagd worden zich in het fietsen alsnog te bekwamen. De werkneemster is dus aangewezen op openbaar vervoer. Dat de werkneemster zelf enige poging heeft ondernomen om te onderzoeken wat de mogelijkheden voor haar waren om met het openbaar vervoer naar de locatie ASG te komen, is niet gebleken. De werkneemster heeft niets gedaan en ook niet inhoudelijk gereageerd op de andere voorstellen die Victoria heeft gedaan, ook niet na de beschikking van de kantonrechter. De omstandigheid dat geen invulling kan worden gegeven aan (het resterende deel van) de arbeidsovereenkomst is dan ook te wijten aan de houding van de werkneemster, waarbij die houding moet worden gekwalificeerd als verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder e, BW. Herplaatsing ligt daarbij niet in de rede, gelet op de opstelling van de werkneemster en de beschikbare objecten binnen een straal van 30 kilometer vanaf het woonadres van de werkneemster. (rov. 5.5)
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek van Victoria heeft afgewezen. Het hof zal op de voet van art. 7:683 lid 5 BW Pro het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op 1 augustus 2018. (rov. 5.7)
3.Beoordeling van het middel
ex nunc’). De hiervoor in 3.4.1 weergegeven klacht faalt.
4.Beslissing
21 februari 2019.