In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2023. De verdachte, geboren in 1988, had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden voor een inbraak op een bouwterrein. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar paste de strafoplegging aan. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar het hof oordeelde dat, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 80 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, meer passend was. De verdachte had zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de inbraak waarbij aanzienlijke schade was veroorzaakt aan verschillende aannemers. Het hof hield rekening met het feit dat de verdachte inmiddels in Duitsland woont, daar een gezin heeft en als kostwinner fungeert. De straf werd gematigd om herhaling te voorkomen, en het hof oordeelde dat de verdachte niet terug hoefde naar de gevangenis. Daarnaast werd er een motivering gegeven ten aanzien van inbeslaggenomen goederen, waarbij werd vastgesteld dat deze niet voor verbeurdverklaring vatbaar waren. De beslissing van het hof was gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.